Duits

Uitgebreide vertaling voor Schläge (Duits) in het Nederlands

Schläge:

Schläge [der ~] zelfstandig naamwoord

  1. der Schläge
    de handtastelijkheden; de vuistslagen; de klappen; de opdonders
  2. der Schläge (Dröhnen)
    het bonzen; het dreunen
    • bonzen [het ~] zelfstandig naamwoord
    • dreunen [het ~] zelfstandig naamwoord
  3. der Schläge (Hiebe; Schubs)
    de oplawaaien; de opdoffers; de opdonders; de opduvels
  4. der Schläge (Waldschlag)
    kapbossen

Vertaal Matrix voor Schläge:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bonzen Dröhnen; Schläge
dreunen Dröhnen; Schläge Dröhnen; Gedröhn; Gedröhne
handtastelijkheden Schläge
kapbossen Schläge; Waldschlag
klappen Schläge Applaus; Beifall; Knallen
opdoffers Hiebe; Schläge; Schubs
opdonders Hiebe; Schläge; Schubs
opduvels Hiebe; Schläge; Schubs
oplawaaien Hiebe; Schläge; Schubs
vuistslagen Schläge
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bonzen bimmeln; bumsen; hämmern; klingeln; läuten; schellen
dreunen dröhnen; krachen
klappen applaudieren; ausdrücken; babbeln; bemerken; berichten; deklamieren; eine Aussage machen; erzählen; explodieren; faseln; herumerzählen; klatschen; kommunizieren; konversieren; petzen; plappern; platzen; plaudern; quasseln; quatschen; reden; sagen; schwatzen; schwätzen; sprechen; tratschen; weitererzählen; äußern

Synoniemen voor "Schläge":


Verwante vertalingen van Schläge