Remove Ads

Duits

Uitgebreide vertaling voor gelehrt (Duits) in het Nederlands

gelehrt:

gelehrt bijvoeglijk naamwoord

  1. gelehrt (gebildet; geschult)
    geschoold; geleerd; onderwezen
  2. gelehrt (geschult; gebildet)
    wijs; intelligent; geleerd; slim
  3. gelehrt (studiert; hochgelehrt; hochgebildet; )
    erudiet; wijs; gestudeerd; ontwikkeld; zeer ontwikkeld; hooggeleerd; geletterd; zeer geleerd; belezen
  4. gelehrt (intellektuell; gebildet)
    intellectueel; verstandelijk
  5. gelehrt (intelligent; weise; klug; )
    intelligent; pienter; schrander

Synoniemen voor "gelehrt":


gelehrt vorm van lehren:

lehren werkwoord (lehre, lehrst, lehrt, lehrte, lehrtet, gelehrt)

  1. lehren (beibringen; erziehen)
    onderwijzen; leren; bijbrengen
    • onderwijzen werkwoord (onderwijs, onderwijst, onderwees, onderwezen, onderwezen)
    • leren werkwoord (leer, leert, leerde, leerden, geleerd)
    • bijbrengen werkwoord (breng bij, brengt bij, bracht bij, brachten bij, bijgebracht)
  2. lehren (unterrichten; unterweisen)
    onderwijzen; leren
    • onderwijzen werkwoord (onderwijs, onderwijst, onderwees, onderwezen, onderwezen)
    • leren werkwoord (leer, leert, leerde, leerden, geleerd)
  3. lehren (instruieren; unterrichten; einweisen; )
    inlichten; voorlichten; onderrichten
    • inlichten werkwoord (licht in, lichtte in, lichtten in, ingelicht)
    • voorlichten werkwoord
    • onderrichten werkwoord (onderricht, onderrichtte, onderrichtten, onderricht)
  4. lehren (unterrichten; beibringen; lernen; )
    onderwijzen; bijbrengen; doceren; onderrichten
    • onderwijzen werkwoord (onderwijs, onderwijst, onderwees, onderwezen, onderwezen)
    • bijbrengen werkwoord (breng bij, brengt bij, bracht bij, brachten bij, bijgebracht)
    • doceren werkwoord (doceer, doceert, doceerde, doceerden, gedoceerd)
    • onderrichten werkwoord (onderricht, onderrichtte, onderrichtten, onderricht)

Conjugations for lehren:

Präsens
  1. lehre
  2. lehrst
  3. lehrt
  4. lehren
  5. lehrt
  6. lehren
Imperfekt
  1. lehrte
  2. lehrtest
  3. lehrte
  4. lehrten
  5. lehrtet
  6. lehrten
Perfekt
  1. habe gelehrt
  2. hast gelehrt
  3. hat gelehrt
  4. haben gelehrt
  5. habt gelehrt
  6. haben gelehrt
1. Konjunktiv [1]
  1. lehre
  2. lehrest
  3. lehre
  4. lehren
  5. lehret
  6. lehren
2. Konjunktiv
  1. lehrte
  2. lehrtest
  3. lehrte
  4. lehrten
  5. lehrtet
  6. lehrten
Futur 1
  1. werde lehren
  2. wirst lehren
  3. wird lehren
  4. werden lehren
  5. werdet lehren
  6. werden lehren
1. Konjunktiv [2]
  1. würde lehren
  2. würdest lehren
  3. würde lehren
  4. würden lehren
  5. würdet lehren
  6. würden lehren
Diverses
  1. lehr!
  2. lehrt!
  3. lehren Sie!
  4. gelehrt
  5. lehrend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

Synoniemen voor "lehren":


Computer vertaling door derden:
Images:


Remove Ads

Remove Ads