Overzicht
Duits naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. praktisch:
  2. Wiktionary:


Duits

Uitgebreide vertaling voor praktisch (Duits) in het Nederlands

praktisch:

praktisch bijvoeglijk naamwoord

  1. praktisch (die Praxis betreffend)
    praktisch; in de praktijk
  2. praktisch (simpel; leicht)
    practisch; nuttig; gemakkelijk
  3. praktisch (so gut wie)
    als het ware
  4. praktisch (in der Praxis)
    in de praktijk

Vertaal Matrix voor praktisch:

Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gemakkelijk leicht; praktisch; simpel albern; angenehm; anspruchslos; behaglich; bei weitem; bequem; bequemlich; dumm; einfach; geistlos; gemächlich; gemütlich; gesellig; glatt; häuslich; imHandumdrehen; kindisch; komfortabel; leicht; mühelos; nicht schwer; schlicht; schön; simpel; stumpf; stumpfsinnig; vergnüglich; wohltuend
nuttig leicht; praktisch; simpel benutzbar; brauchbar; geeignet; nützlich; verwendbar
praktisch die Praxis betreffend; praktisch brauchbar
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gemakkelijk leicht; mühelos
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
als het ware praktisch; so gut wie
in de praktijk die Praxis betreffend; in der Praxis; praktisch
practisch leicht; praktisch; simpel

Synoniemen voor "praktisch":


Wiktionary: praktisch

praktisch
adverb
  1. nahezu, so gut wie
adjective
  1. in der Praxis, auf Realität bezogen
  2. allgemein: handlich, gut

Cross Translation:
FromToVia
praktisch handig handy — easy to use
praktisch praktisch practical — based on practice or action rather than theory or hypothesis
praktisch praktisch virtually — almost