Overzicht
Duits naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. Alltag:
  2. Wiktionary:


Duits

Uitgebreide vertaling voor Alltag (Duits) in het Zweeds

Alltag:

Alltag [das ~] zelfstandig naamwoord

  1. Alltag
    varje dag

Vertaal Matrix voor Alltag:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
varje dag Alltag

Synoniemen voor "Alltag":


Wiktionary: Alltag

Alltag
noun
  1. Plural selten: gleichförmiger, sich wiederholender Lebensrhythmus