Engels

Uitgebreide vertaling voor appointment (Engels) in het Nederlands

appointment:

appointment [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the appointment (date)
    de afspraak; de liaison; afgesproken ontmoeting
  2. the appointment (job; commission; nomination)
    de installatie; de aanstelling; de benoeming
  3. the appointment (definition; declaration; determination; )
    de omschrijving; de definiëring
  4. the appointment (nomination)
    de nominatie; de voordracht
  5. the appointment
    – An activity represented by a time interval that has a start time, an end time, and a duration. 1
    de afspraak
  6. the appointment
    – A calendar item in the Exchange store. Appointments do not include other people or resources. 1
    de afspraak

Vertaal Matrix voor appointment:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanstelling appointment; commission; job; nomination
afgesproken ontmoeting appointment; date
afspraak appointment; date agreement; approval; chord; come to terms; concurrence; consent; make a compromise; permission; settlement
benoeming appointment; commission; job; nomination denomination; name; term; title
definiëring appointment; ascertainment; declaration; definition; determination; establishment; fixation; settlement
installatie appointment; commission; job; nomination installation; setup
liaison appointment; date affair; amorous adventure; association; bond; combination; connection; courtship; junction; liaison; link; linking; love affair; relation; relationship; romance; romanticism; union; wooing
nominatie appointment; nomination
omschrijving appointment; ascertainment; declaration; definition; determination; establishment; fixation; settlement better picture; closer description; depiction; equivalent; picture; portrayal
voordracht appointment; nomination address; declamation; delivery; speech
- appointee; assignment; date; designation; engagement; fitting; naming
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- establishment; fixing

Verwante woorden van "appointment":


Synoniemen voor "appointment":


Verwante definities voor "appointment":

  1. (law) the act of disposing of property by virtue of the power of appointment2
    • she allocated part of the trust to her church by appointment2
  2. the act of putting a person into a non-elective position2
    • the appointment had to be approved by the whole committee2
  3. the job to which you are (or hope to be) appointed2
    • he applied for an appointment in the treasury2
  4. (usually plural) furnishings and equipment (especially for a ship or hotel)2
  5. a meeting arranged in advance2
  6. a person who is appointed to a job or position2
  7. An activity represented by a time interval that has a start time, an end time, and a duration.1
  8. A calendar item in the Exchange store. Appointments do not include other people or resources.1

Wiktionary: appointment

appointment
noun
  1. stipulation; agreement
  2. arrangement for a meeting; an engagement
  3. act of appointing; designation of a person to hold an office
appointment
noun
  1. benoeming.
  2. een overeenkomst

Cross Translation:
FromToVia
appointment benoeming; beroep Berufung — Ernennung in ein öffentliches Amt von Kirche oder Staat (Höchstrichter, Priester, Universitätsprofessor usw.) oder Anstellung eines Künstlers (Dirigent, Theaterdirektor, Schauspieler, Musiker usw.)
appointment commissie; boodschap; opdracht commissionmandat, charge que l’on donner à quelqu’un de faire quelque chose.
appointment ambt; baan; betrekking; werkkring; plaats; post; wachtpost; werkgelegenheid emploiusage qu’on fait de quelque chose.
appointment ontmoeting; afspraak; rendez-vous; colloquium; symposium rencontreTraductions à trier suivant le sens.
appointment rendez-vous rendez-vous — Réunion prévue entre plusieurs personnes

appointment vorm van appoint:

appoint werkwoord

  1. appoint (establish; install; institute; instal)
    aanstellen; benoemen; installeren
    • aanstellen werkwoord (stel aan, stelt aan, stelde aan, stelden aan, aangesteld)
    • benoemen werkwoord (benoem, benoemt, benoemde, benoemden, benoemd)
    • installeren werkwoord (installeer, installeert, installeerde, installeerden, geïnstalleerd)
  2. appoint (nominate)
    benoemen; in functie aanstellen
  3. appoint (recommend; nominate; suggest; )
    aanbevelen; voordragen; aanraden; iemand recommanderen; nomineren
    • aanbevelen werkwoord (beveel aan, beveelt aan, beval aan, bevolen aan, aanbevolen)
    • voordragen werkwoord (draag voor, draagt voor, droeg voor, droegen voor, voorgedragen)
    • aanraden werkwoord (raad aan, raadt aan, ried aan, rieden aan, aangeraden)
    • nomineren werkwoord (nomineer, nomineert, nomineerde, nomineerden, genomineerd)

Vertaal Matrix voor appoint:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanbevelen advise; appoint; consider; elect; nominate; present; propose; recommend; suggest praise; recommend
aanraden advise; appoint; consider; elect; nominate; present; propose; recommend; suggest advise; recommend; suggest
aanstellen appoint; establish; instal; install; institute
benoemen appoint; establish; instal; install; institute; nominate call; denominate; mention; name; stamp one's foot; term
iemand recommanderen advise; appoint; consider; elect; nominate; present; propose; recommend; suggest
in functie aanstellen appoint; nominate
installeren appoint; establish; instal; install; institute arrange; assemble; construct; fit; instal; install; lay; place; set up
nomineren advise; appoint; consider; elect; nominate; present; propose; recommend; suggest
voordragen advise; appoint; consider; elect; nominate; present; propose; recommend; suggest declaim; orate; recite
- charge; constitute; name; nominate

Verwante woorden van "appoint":


Synoniemen voor "appoint":


Verwante definities voor "appoint":

  1. furnish2
    • a beautifully appointed house2
  2. create and charge with a task or function2
  3. assign a duty, responsibility or obligation to2
    • He was appointed deputy manager2

Wiktionary: appoint

appoint
verb
  1. to constitute; to ordain; to prescribe; to fix the time and place of
appoint
verb
  1. benoemen

Cross Translation:
FromToVia
appoint toewijzen; voor het gerecht dagen adjuger — procédure|fr déclarer par autorité de justice qu’une personne devenir propriétaire d’un bien meuble ou immeuble mis à l’enchère.
appoint toewijzen; voor het gerecht dagen alloueraccorder quelque chose à quelqu'un.
appoint toewijzen; voor het gerecht dagen assignerdéterminer, faire connaître.
appoint laden; belasten met; opdracht geven; opdragen chargergarnir d’une charge.
appoint afvaardigen; delegeren déléguerdéputer, commettre, envoyer quelqu’un avec pouvoir d’agir, d’examiner, de juger, de négocier, etc.
appoint aanduiden; aangeven; een teken geven; merken; kenmerken; tekenen; laten zien; tentoonspreiden; tonen; vertonen; wijzen; uitwijzen; aanwijzen; uitduiden; kiezen; uitkiezen; uitlezen; uitpikken; verkiezen; uitzoeken désigner — Traduction à trier
appoint bepalen; bevestigen; fixeren; tuigeren; vastmaken; vaststellen; definiëren; omschrijven fixerattacher, affermir, rendre immobile, maintenir en place.

Verwante vertalingen van appointment