Engels

Uitgebreide vertaling voor want (Engels) in het Nederlands

want:

want [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the want
    de behoefte
    • behoefte [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
  2. the want (lack; deficiency)
    het gebrek; het gemis
    • gebrek [het ~] zelfstandig naamwoord
    • gemis [het ~] zelfstandig naamwoord
  3. the want (poverty; lack; paucity; )
    de armoede; het gebrek; de ellende
    • armoede [de ~] zelfstandig naamwoord
    • gebrek [het ~] zelfstandig naamwoord
    • ellende [de ~] zelfstandig naamwoord

to want werkwoord (wants, wanted, wanting)

  1. to want (must; have to; need)
    willen; moeten; believen
    • willen werkwoord (wil, wilt, wil/wilt, wilde, wilden, gewild)
    • moeten werkwoord (moet, moest, moesten, gemoeten)
    • believen werkwoord (belief, belieft, beliefde, beliefden, beliefd)
  2. to want (wish; like to)
    willen; wensen
    • willen werkwoord (wil, wilt, wil/wilt, wilde, wilden, gewild)
    • wensen werkwoord (wens, wenst, wenste, wensten, gewenst)
  3. to want (desire; long; crave; )
    verlangen; begeren
    • verlangen werkwoord (verlang, verlangt, verlangde, verlangden, verlangd)
    • begeren werkwoord (begeer, begeert, begeerde, begeerden, begeerd)
  4. to want (need; require)
    nodig hebben; behoeven; benodigen
    • nodig hebben werkwoord (heb nodig, hebt nodig, heeft nodig, had nodig, hadden nodig, nodig gehad)
    • behoeven werkwoord (behoef, behoeft, behoefde, behoefden, behoefd)
    • benodigen werkwoord (benodig, benodigt, benodigde, benodigden, benodigd)

Conjugations for want:

present
  1. want
  2. want
  3. wants
  4. want
  5. want
  6. want
simple past
  1. wanted
  2. wanted
  3. wanted
  4. wanted
  5. wanted
  6. wanted
present perfect
  1. have wanted
  2. have wanted
  3. has wanted
  4. have wanted
  5. have wanted
  6. have wanted
past continuous
  1. was wanting
  2. were wanting
  3. was wanting
  4. were wanting
  5. were wanting
  6. were wanting
future
  1. shall want
  2. will want
  3. will want
  4. shall want
  5. will want
  6. will want
continuous present
  1. am wanting
  2. are wanting
  3. is wanting
  4. are wanting
  5. are wanting
  6. are wanting
subjunctive
  1. be wanted
  2. be wanted
  3. be wanted
  4. be wanted
  5. be wanted
  6. be wanted
diverse
  1. want!
  2. let's want!
  3. wanted
  4. wanting
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor want:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
armoede dearth; destitution; hardship; lack; need; paucity; penury; poverty; want poverty
begeren craving; desire; longing; wanting; wish; yearning
behoefte want
believen consent; discretion
ellende dearth; destitution; hardship; lack; need; paucity; penury; poverty; want accident; adversity; bad luck; calamity; destitution; disaster; evil; misery; misfortune; misère; reverse; sorrow; squalor; tribulation; trouble
gebrek dearth; deficiency; destitution; hardship; lack; need; paucity; penury; poverty; want disability; failure; famine; flaw; gap; handicap; impediment; machine defect; needyness; paucity; physical defect; scantiness; scarcity; shortage; tightness
gemis deficiency; lack; want
moeten being forced to; being obliged to; having to
verlangen craving; desire; hankering; longing; wanting; wish; yearning
wensen craving; desire; longing; wanting; wish; yearning
- deficiency; deprivation; lack; need; neediness; privation; wish; wishing
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
begeren covet; crave; desire; long; want; will; wish
behoeven need; require; want
believen have to; must; need; want do what you think is right; fancy; like; please; think fit
benodigen need; require; want
moeten have to; must; need; want be obliged to; ought to; should
nodig hebben need; require; want
verlangen covet; crave; desire; long; want; will; wish demand; have one's heart set on; hope; languish; long for; pine; require; to want something very badly; yearn
wensen like to; want; wish
willen have to; like to; must; need; want; wish
- desire; need; require
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- call for; demand; lack; need; require

Verwante woorden van "want":


Synoniemen voor "want":


Verwante definities voor "want":

  1. a specific feeling of desire1
  2. anything that is necessary but lacking1
    • I tried to supply his wants1
  3. the state of needing something that is absent or unavailable1
    • for want of a nail the shoe was lost1
  4. a state of extreme poverty1
  5. wish or demand the presence of1
    • I want you here at noon!1
  6. have need of1
    • This piano wants the attention of a competent tuner1
  7. hunt or look for; want for a particular reason1
    • Your former neighbor is wanted by the FBI1
    • Uncle Sam wants you1
  8. feel or have a desire for; want strongly1
    • I want to go home now1
    • I want my own room1
  9. be without, lack; be deficient in1
    • want courtesy1
    • want the strength to go on living1
    • flood victims wanting food and shelter1

Wiktionary: want

want
verb
  1. desire
noun
  1. lack (of)
want
noun
  1. verlangen
  2. behoefte of verlangen iets te doen
  3. plezier, genot
  4. een verlangen om iets te doen
verb
  1. iets als verlangen hebben

Cross Translation:
FromToVia
want gebrek; gemis Mangel — kPl.|: unzureichende Menge oder unzureichendes Ausmaß von etwas
want begeerte; zucht; lust; verlangen; wens; zin désir — Traductions à trier suivant le sens
want afwezigheid; euvel; gebrek; tekortkoming; gemis; tekort; manco; mankement insuffisanceétat de ce qui est insuffisant.
want afwezigheid; euvel; gebrek; tekortkoming; gemis; tekort; manco; mankement manqueabsence, défaut, fait de manquer.
want armoe; ellende; narigheid; schamelheid; misère; nood misèrecondition, état de celui qui inspirer la pitié.
want ontbering; afwezigheid; euvel; gebrek; tekortkoming; gemis; tekort; manco; mankement privationperte, absence, manque d’un bien, d’un avantage qu’on avait, ou qu’on devait, qu’on pouvait avoir.
want hoeven; behoeven; nodig hebben; toe zijn aan requérirprier, demander quelqu’un.
want begeerte; zucht; lust; verlangen; wens; zin; heilwens; zegewens; aspiratie; sollicitatie souhaitvœu, désir qu’une chose accomplir.
want hopen; begeren; trek hebben in; verkiezen; verlangen; wensen souhaiterformer un souhait.
want willen vouloir — Avoir l’intention, la volonté de faire quelque chose, s’y déterminer. (Sens général)

Verwante vertalingen van want



Nederlands

Uitgebreide vertaling voor want (Nederlands) in het Engels

want:

want bijvoeglijk naamwoord

  1. want
    for
    • for bijvoeglijk naamwoord

want [de ~] zelfstandig naamwoord

  1. de want (handschoen)
    the glove; the mitten
    • glove [the ~] zelfstandig naamwoord
    • mitten [the ~] zelfstandig naamwoord
  2. de want (al het touwwerk aan boord; tuigage; tuig)
    the rigging
    • rigging [the ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor want:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
glove handschoen; want
mitten handschoen; want
rigging al het touwwerk aan boord; tuig; tuigage; want scheepswant; takelwerk; tuigage; zeilwerk
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
- namelijk
ConjunctionVerwante vertalingenAndere vertalingen
- immers
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
for want naar; naar toe; ten behoeve van; toe; voor; à

Verwante woorden van "want":

  • wanten, wants

Synoniemen voor "want":


Verwante definities voor "want":

  1. er wordt een reden of argument genoemd2
    • Piet gaat niet naar de film want hij heeft hem al gezien2
  2. handschoen met aparte duim2
    • ze droegen dikke wanten bij het skiën2

Wiktionary: want

want
noun
  1. glove with a separate sheath for the thumb only
  2. mast support
en-con
  1. because
adverb
  1. on account

Cross Translation:
FromToVia
want glove; mitten gant — vête|fr objet d’habillement, qui couvrir la main et chaque doigt séparément.
want shroud hauban — cordage de navire