Remove Ads

Engels

Uitgebreide vertaling voor accomplished (Engels) in het Nederlands

accomplished:

accomplished bijvoeglijk naamwoord

  1. accomplished (completed; over; finished; )
    voltooid; over; klaar; uit; afgelopen; geëindigd; gereed; voorbij; afgedaan; af
  2. accomplished (complete; over; finished; )
    voltooid; klaar; beëindigd; over; afgelopen; gereed; uit; gedaan; af; gepleegd; geëindigd; voorbij

Verwante woorden van "accomplished":


Synoniemen voor "accomplished":


Verwante definities voor "accomplished":

  1. successfully completed or brought to an end1
    • his mission accomplished he took a vacation1
  2. settled securely and unconditionally1
    • that smoking causes health problems is an accomplished fact1
  3. highly skilled1
    • an accomplished pianist1

accomplish:

to accomplish werkwoord (accomplishes, accomplished, accomplishing)

  1. to accomplish (do; act)
    doen; uitvoeren; verrichten; handelen; uitrichten
    • doen werkwoord (doe, doet, deed, deden, gedaan)
    • uitvoeren werkwoord (voer uit, voert uit, voerde uit, voerden uit, uitgevoerd)
    • verrichten werkwoord (verricht, verrichtte, verrichtten, verricht)
    • handelen werkwoord (handel, handelt, handelde, handelden, gehandeld)
    • uitrichten werkwoord (richt uit, richtte uit, richtten uit, uitgericht)
  2. to accomplish (complete; finish; bring to an end; )
    completeren; voltooien; afronden; afmaken; beëindigen; afwerken; klaarmaken; volbrengen; volmaken; een einde maken aan; afkrijgen; klaarkrijgen
    • completeren werkwoord (completeer, completeert, completeerde, completeerden, gecompleteerd)
    • voltooien werkwoord (voltooi, voltooit, voltooide, voltooiden, voltooid)
    • afronden werkwoord (rond af, rondt af, rondde af, rondden af, afgerond)
    • afmaken werkwoord (maak af, maakt af, maakte af, maakten af, afgemaakt)
    • beëindigen werkwoord (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afwerken werkwoord (werk af, werkt af, werkte af, werkten af, afgewerkt)
    • klaarmaken werkwoord (maak klaar, maakt klaar, maakte klaar, maakten klaar, klaargemaakt)
    • volbrengen werkwoord (volbreng, volbrengt, volbracht, volbrachten, volbracht)
    • volmaken werkwoord (volmaak, volmaakt, volmaakte, volmaakten, volmaakt)
    • een einde maken aan werkwoord (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
    • afkrijgen werkwoord (krijg af, krijgt af, kreeg af, kregen af, afgekregen)
    • klaarkrijgen werkwoord (krijg klaar, krijgt klaar, kreeg klaar, kregen klaar, klaargekregen)
  3. to accomplish (occupy a position; fulfil; honor; honour; fulfill)
    vervullen; functie bekleden
  4. to accomplish (succeed)
    voor elkaar krijgen; bewerkstelligen; klaarspelen; bedingen; fixen; lappen
    • bewerkstelligen werkwoord (bewerkstellig, bewerkstelligt, bewerkstelligde, bewerkstelligden, bewerkstelligd)
    • klaarspelen werkwoord (speel klaar, speelt klaar, speelde klaar, speelden klaar, klaargespeeld)
    • bedingen werkwoord (beding, bedingt, bedong, bedongen, bedongen)
    • fixen werkwoord
    • lappen werkwoord (lap, lapt, lapte, lapten, gelapt)
  5. to accomplish (achieve; bring about; attain)
    – to gain with effort 1
    totstandbrengen
    • totstandbrengen werkwoord (breng totstand, brengt totstand, bracht totstand, brachten totstand, totstandgebracht)
  6. to accomplish (fulfil; perform; fulfill)
    volvoeren
    • volvoeren werkwoord (volvoer, volvoert, volvoerde, volvoerden, volvoerd)

Conjugations for accomplish:

present
  1. accomplish
  2. accomplish
  3. accomplishes
  4. accomplish
  5. accomplish
  6. accomplish
simple past
  1. accomplished
  2. accomplished
  3. accomplished
  4. accomplished
  5. accomplished
  6. accomplished
present perfect
  1. have accomplished
  2. have accomplished
  3. has accomplished
  4. have accomplished
  5. have accomplished
  6. have accomplished
past continuous
  1. was accomplishing
  2. were accomplishing
  3. was accomplishing
  4. were accomplishing
  5. were accomplishing
  6. were accomplishing
future
  1. shall accomplish
  2. will accomplish
  3. will accomplish
  4. shall accomplish
  5. will accomplish
  6. will accomplish
continuous present
  1. am accomplishing
  2. are accomplishing
  3. is accomplishing
  4. are accomplishing
  5. are accomplishing
  6. are accomplishing
subjunctive
  1. be accomplished
  2. be accomplished
  3. be accomplished
  4. be accomplished
  5. be accomplished
  6. be accomplished
diverse
  1. accomplish!
  2. let's accomplish!
  3. accomplished
  4. accomplishing
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Verwante woorden van "accomplish":


Synoniemen voor "accomplish":


Verwante definities voor "accomplish":

  1. put in effect1
  2. to gain with effort1

Computer vertaling door derden:
Images:


Remove Ads

Remove Ads