Remove Ads

Engels

Uitgebreide vertaling voor enter (Engels) in het Nederlands

enter:

to enter werkwoord (enters, entered, entering)

  1. to enter (come in; go into; get in; go in; go inside)
    betreden; binnenkomen; ingaan; binnentreden; binnengaan; binnenstappen; binnenlopen
    • betreden werkwoord (betreed, betreedt, betrad, betraden, betreden)
    • binnenkomen werkwoord (kom binnen, komt binnen, kwam binnen, kwamen binnen, binnengekomen)
    • ingaan werkwoord (ga in, gaat in, ging in, gingen in, ingegaan)
    • binnentreden werkwoord (treed binnen, treedt binnen, trad binnen, traden binnen, binnengetreden)
    • binnengaan werkwoord (ga binnen, gaat binnen, ging binnen, gingen binnen, binnengegaan)
    • binnenstappen werkwoord (stap binnen, stapt binnen, stapte binnen, stapten binnen, binnengestapt)
    • binnenlopen werkwoord (loop binnen, loopt binnen, liep binnen, liepen binnen, binnengelopen)
  2. to enter (fall in; step off; line up)
    toetreden; aantreden
    • toetreden werkwoord (treed toe, treedt toe, trad toe, traden toe, toegetreden)
    • aantreden werkwoord (treed aan, treedt aan, trad aan, traden aan, aangetreden)
  3. to enter (enlist; subscribe; register; )
    aanmelden; subscriberen; opgeven; inschrijven; intekenen
    • aanmelden werkwoord (meld aan, meldt aan, meldde aan, meldden aan, aangemeld)
    • subscriberen werkwoord (subscribeer, subscribeert, subscribeerde, subscribeerden, gesubscribeerd)
    • opgeven werkwoord (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
    • inschrijven werkwoord (schrijf in, schrijft in, schreef in, schreven in, ingeschreven)
    • intekenen werkwoord (teken in, tekent in, tekende in, tekenden in, ingetekend)
  4. to enter (register; subscribe; enroll; )
    inschrijven; opgeven
    • inschrijven werkwoord (schrijf in, schrijft in, schreef in, schreven in, ingeschreven)
    • opgeven werkwoord (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
  5. to enter (enter into; tie on to)
    aangaan; aanknopen
    • aangaan werkwoord (ga aan, gaat aan, ging aan, gingen aan, aangegaan)
    • aanknopen werkwoord (knoop aan, knoopt aan, knoopte aan, knoopten aan, aangeknoopt)
  6. to enter (penetrate)
    penetreren; binnen gaan
    • penetreren werkwoord (penetreer, penetreert, penetreerde, penetreerden, gepenetreerd)
    • binnen gaan werkwoord
  7. to enter (send in; contribute)
    inzenden; insturen
    • inzenden werkwoord (zend in, zendt in, zond in, zonden in, ingezonden)
    • insturen werkwoord (stuur in, stuurt in, stuurde in, stuurden in, ingestuurd)
  8. to enter (set foot on)
    betreden
    • betreden werkwoord (betreed, betreedt, betrad, betraden, betreden)
  9. to enter (clear baggage; clear)
    inklaren; klaren
    • inklaren werkwoord (klaar in, klaart in, klaarde in, klaarden in, ingeklaard)
    • klaren werkwoord (klaar, klaart, klaarde, klaarden, geklaard)
  10. to enter (fall in; come in)
    naar binnen vallen; invallen
  11. to enter (march in; invade; go in)
    binnentrekken; binnenmarcheren
    • binnentrekken werkwoord (trek binnen, trekt binnen, trok binnen, trokken binnen, binnengetrokken)
    • binnenmarcheren werkwoord (marcheer binnen, marcheert binnen, marcheerde binnen, marcheerden binnen, binnengemarcheerd)
  12. to enter
    – To enter information by means of the keyboard or other input method. 1
    invoeren
    • invoeren werkwoord (voer in, voert in, voerde in, voerden in, ingevoerd)

Conjugations for enter:

present
  1. enter
  2. enter
  3. enters
  4. enter
  5. enter
  6. enter
simple past
  1. entered
  2. entered
  3. entered
  4. entered
  5. entered
  6. entered
present perfect
  1. have entered
  2. have entered
  3. has entered
  4. have entered
  5. have entered
  6. have entered
past continuous
  1. was entering
  2. were entering
  3. was entering
  4. were entering
  5. were entering
  6. were entering
future
  1. shall enter
  2. will enter
  3. will enter
  4. shall enter
  5. will enter
  6. will enter
continuous present
  1. am entering
  2. are entering
  3. is entering
  4. are entering
  5. are entering
  6. are entering
subjunctive
  1. be entered
  2. be entered
  3. be entered
  4. be entered
  5. be entered
  6. be entered
diverse
  1. enter!
  2. let's enter!
  3. entered
  4. entering
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Verwante woorden van "enter":


Synoniemen voor "enter":


Antoniemen voor "enter":


Verwante definities voor "enter":

  1. set out on (an enterprise or subject of study)2
  2. make a record of; set down in permanent form2
  3. become a participant; be involved in2
    • enter a race2
    • enter an agreement2
    • enter a drug treatment program2
    • enter negotiations2
  4. put or introduce into something2
  5. come on stage2
  6. to come or go into2
    • the boat entered an area of shallow marshes2
  7. take on duties or office2
  8. register formally as a participant or member2
  9. be or play a part of or in2
  10. To enter information by means of the keyboard or other input method.1

Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van enter



Remove Ads

Remove Ads