Remove Ads

Engels

Uitgebreide vertaling voor lot (Engels) in het Nederlands

lot:

lot [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the lot (quantity; parcel)
    de hoeveelheid; de partij
    • hoeveelheid [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • partij [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
  2. the lot (guarantee; warranty; premises; )
    de garantie; de waarborg; de cautie; het onderpand; de waarborgsom; de borg; waarborging; de pand
    • garantie [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • waarborg [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • cautie [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • onderpand [het ~] zelfstandig naamwoord
    • waarborgsom [de ~] zelfstandig naamwoord
    • borg [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • waarborging [znw.] zelfstandig naamwoord
    • pand [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  3. the lot (parcel; building site; site; plot; ground)
    het gebied; het perceel; de kavel; het terrein; het bouwterrein
    • gebied [het ~] zelfstandig naamwoord
    • perceel [het ~] zelfstandig naamwoord
    • kavel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • terrein [het ~] zelfstandig naamwoord
    • bouwterrein [het ~] zelfstandig naamwoord
  4. the lot (destiny; fate)
    de lotsbestemming; de lot
  5. the lot (building; premises; construction; edifice; structure)
    de gebouw; het bouwwerk; de pand
    • gebouw [de ~] zelfstandig naamwoord
    • bouwwerk [het ~] zelfstandig naamwoord
    • pand [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  6. the lot (a whole lot; mass; multitude; )
    de massa; grote hoeveelheid; de berg; de overvloed; de hoop
    • massa [de ~] zelfstandig naamwoord
    • grote hoeveelheid [znw.] zelfstandig naamwoord
    • berg [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • overvloed [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • hoop [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  7. the lot (bunch; pile; heap; crowd)
    de hoop; de berg; de kluit
    • hoop [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • berg [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • kluit [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  8. the lot (crowd; herd; clutter; )
    de menigte; de bende; de schare; de massa; de hoop; de horde; de drom
    • menigte [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • bende [de ~] zelfstandig naamwoord
    • schare [de ~] zelfstandig naamwoord
    • massa [de ~] zelfstandig naamwoord
    • hoop [de ~] zelfstandig naamwoord
    • horde [de ~] zelfstandig naamwoord
    • drom [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  9. the lot (unfortunate position; destiny; fate)
    de noodlot; ongelukkig lot
  10. the lot (fate; destiny)
    het levenslot
  11. the lot (quite a lot; heap)
    aardig wat
  12. the lot
    – A quantity of one item or a number of items of the same kind. 1

lot werkwoord

  1. lot (parcel out; divide)
    verdelen; verkavelen; kavelen
    • verdelen werkwoord (verdeel, verdeelt, verdeelde, verdeelden, verdeeld)
    • verkavelen werkwoord (verkavel, verkavelt, verkavelde, verkavelden, verkaveld)
    • kavelen werkwoord (kavel, kavelt, kavelde, kavelden, gekaveld)

Verwante woorden van "lot":


Synoniemen voor "lot":


Verwante definities voor "lot":

  1. anything (straws or pebbles etc.) taken or chosen at random2
    • they drew lots for it2
  2. any collection in its entirety2
  3. an unofficial association of people or groups2
    • they were an angry lot2
  4. a parcel of land having fixed boundaries2
    • he bought a lot on the lake2
  5. your overall circumstances or condition in life (including everything that happens to you)2
    • has a happy lot2
  6. divide into lots, as of land, for example2
  7. A quantity of one item or a number of items of the same kind.1

Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van lot



Remove Ads

Remove Ads