Remove Ads

Engels

Uitgebreide vertaling voor mind (Engels) in het Nederlands

mind:

mind [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the mind (disposition; character; soul; heart)
    het karakter; de mentaliteit; het gemoed; de natuur; de geaardheid; de aard; de inborst; de inslag
    • karakter [het ~] zelfstandig naamwoord
    • mentaliteit [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • gemoed [het ~] zelfstandig naamwoord
    • natuur [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • geaardheid [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • aard [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • inborst [de ~] zelfstandig naamwoord
    • inslag [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. the mind (awareness; reason)
    het bewustzijn; het brein; het inzicht; het verstand; de rede
    • bewustzijn [het ~] zelfstandig naamwoord
    • brein [het ~] zelfstandig naamwoord
    • inzicht [het ~] zelfstandig naamwoord
    • verstand [het ~] zelfstandig naamwoord
    • rede [de ~] zelfstandig naamwoord

to mind werkwoord (minds, minded, minding)

  1. to mind (watch out; look out)
    uitkijken voor; oppassen; opletten
    • uitkijken voor werkwoord
    • oppassen werkwoord (pas op, past op, paste op, pasten op, opgepast)
    • opletten werkwoord (let op, lette op, letten op, opgelet)
  2. to mind (interfere; intervene; blend; )
    bemoeien; mengen; inmengen
    • bemoeien werkwoord (bemoei, bemoeit, bemoeide, bemoeiden, bemoeid)
    • mengen werkwoord (meng, mengt, mengde, mengden, gemengd)
    • inmengen werkwoord (meng in, mengt in, mengde in, mengden in, ingemengd)

Conjugations for mind:

present
  1. mind
  2. mind
  3. minds
  4. mind
  5. mind
  6. mind
simple past
  1. minded
  2. minded
  3. minded
  4. minded
  5. minded
  6. minded
present perfect
  1. have minded
  2. have minded
  3. has minded
  4. have minded
  5. have minded
  6. have minded
past continuous
  1. was minding
  2. were minding
  3. was minding
  4. were minding
  5. were minding
  6. were minding
future
  1. shall mind
  2. will mind
  3. will mind
  4. shall mind
  5. will mind
  6. will mind
continuous present
  1. am minding
  2. are minding
  3. is minding
  4. are minding
  5. are minding
  6. are minding
subjunctive
  1. be minded
  2. be minded
  3. be minded
  4. be minded
  5. be minded
  6. be minded
diverse
  1. mind!
  2. let's mind!
  3. minded
  4. minding
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Verwante woorden van "mind":


Synoniemen voor "mind":


Antoniemen voor "mind":


Verwante definities voor "mind":

  1. that which is responsible for one's thoughts and feelings; the seat of the faculty of reason1
    • his mind wandered1
  2. knowledge and intellectual ability1
    • he reads to improve his mind1
  3. attention1
    • don't pay him any mind1
  4. recall or remembrance1
    • it came to mind1
  5. an opinion formed by judging something1
    • she changed her mind1
  6. your intention; what you intend to do1
    • he had in mind to see his old teacher1
  7. an important intellectual1
    • the great minds of the 17th century1
  8. keep in mind1
  9. be concerned with or about something or somebody1
  10. be on one's guard; be cautious or wary about; be alert to1
  11. be offended or bothered by; take offense with, be bothered by1
    • I don't mind your behavior1
  12. be in charge of or deal with1
  13. pay close attention to; give heed to1

Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van mind



Remove Ads

Remove Ads