Engels

Uitgebreide vertaling voor offender (Engels) in het Nederlands

offender:

offender [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the offender (perpetrator)
    de dader
    • dader [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. the offender (perpetrator)
    bekeurde
  3. the offender (criminal; perpetrator; delinquent; malefactor; evil-doer)
    de delinquent; de crimineel; de misdadiger
  4. the offender
    de overtreder; de wetsovertreder

Vertaal Matrix voor offender:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bekeurde offender; perpetrator
crimineel criminal; delinquent; evil-doer; malefactor; offender; perpetrator
dader offender; perpetrator
delinquent criminal; delinquent; evil-doer; malefactor; offender; perpetrator
misdadiger criminal; delinquent; evil-doer; malefactor; offender; perpetrator
overtreder offender
wetsovertreder offender
- wrongdoer
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
crimineel criminal; illegal

Verwante woorden van "offender":

  • offenders

Synoniemen voor "offender":

  • wrongdoer; bad person

Verwante definities voor "offender":

  1. a person who transgresses moral or civil law1

Wiktionary: offender

offender
noun
  1. a person who commits an offense against the law

offend:

to offend werkwoord (offends, offended, offending)

  1. to offend (hurt; aggrieve; hurt someone's feelings)
    pijn doen; kwetsen; krenken; zeer doen; grieven
    • pijn doen werkwoord (doe pijn, doet pijn, deed pijn, deden pijn, pijn gedaan)
    • kwetsen werkwoord (kwets, kwetst, kwetste, kwetsten, gekwetst)
    • krenken werkwoord (krenk, krenkt, krenkte, krenkten, gekrenkt)
    • zeer doen werkwoord (doe zeer, doet zeer, deed zeer, deden zeer, zeer gedaan)
    • grieven werkwoord (grief, grieft, griefde, griefden, gegriefd)
  2. to offend (do wrong; wreak evil; do wrongly)
    misdrijven; kwaad doen
    • misdrijven werkwoord (misdrijf, misdrijft, misdreef, misdreven, misdreven)
    • kwaad doen werkwoord (doe kwaad, doet kwaad, deed kwaad, deden kwaad, kwaad gedaan)
  3. to offend (torture; torment; hurt; aggrieve)
    martelen; kwellen; folteren; pijnigen
    • martelen werkwoord (martel, martelt, martelde, martelden, gemarteld)
    • kwellen werkwoord (kwel, kwelt, kwelde, kwelden, gekweld)
    • folteren werkwoord (folter, foltert, folterde, folterden, gefolterd)
    • pijnigen werkwoord (pijnig, pijnigt, pijnigde, pijnigden, gepijnigd)
  4. to offend (hurt; injure; maul; insult)
    pijn doen; verwonden; zeer doen; pijn bezorgen
    • pijn doen werkwoord (doe pijn, doet pijn, deed pijn, deden pijn, pijn gedaan)
    • verwonden werkwoord (verwond, verwondt, verwondde, verwondden, verwond)
    • zeer doen werkwoord (doe zeer, doet zeer, deed zeer, deden zeer, zeer gedaan)
    • pijn bezorgen werkwoord
  5. to offend (sin; commit a sin)
    zondigen; een zonde begaan
    • zondigen werkwoord (zondig, zondigt, zondigde, zondigden, gezondigd)
    • een zonde begaan werkwoord (bega een zonde, begaat een zonde, beging een zonde, begingen een zonde, een zonde begaan)
  6. to offend (put out; upset; ruffle)
    ontstemmen
    • ontstemmen werkwoord (ontstem, ontstemt, ontstemde, ontstemden, ontstemd)

Conjugations for offend:

present
  1. offend
  2. offend
  3. offends
  4. offend
  5. offend
  6. offend
simple past
  1. offended
  2. offended
  3. offended
  4. offended
  5. offended
  6. offended
present perfect
  1. have offended
  2. have offended
  3. has offended
  4. have offended
  5. have offended
  6. have offended
past continuous
  1. was offending
  2. were offending
  3. was offending
  4. were offending
  5. were offending
  6. were offending
future
  1. shall offend
  2. will offend
  3. will offend
  4. shall offend
  5. will offend
  6. will offend
continuous present
  1. am offending
  2. are offending
  3. is offending
  4. are offending
  5. are offending
  6. are offending
subjunctive
  1. be offended
  2. be offended
  3. be offended
  4. be offended
  5. be offended
  6. be offended
diverse
  1. offend!
  2. let's offend!
  3. offended
  4. offending
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor offend:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
kwetsen affecting; damaging; harming; injuring
pijn doen hurting
zeer doen hurting
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
een zonde begaan commit a sin; offend; sin
folteren aggrieve; hurt; offend; torment; torture
grieven aggrieve; hurt; hurt someone's feelings; offend
krenken aggrieve; hurt; hurt someone's feelings; offend ache; bruise; contuse; hurt; injure; wound
kwaad doen do wrong; do wrongly; offend; wreak evil be disadvantuous; bring evil upon; cause disadvantage; cause injury; cause someone sorrow; damage; do harm; harm; harm somebody; hurt; injure
kwellen aggrieve; hurt; offend; torment; torture antagonise; antagonize; bully; harass; pester; provoke; tease
kwetsen aggrieve; hurt; hurt someone's feelings; offend ache; bruise; contuse; hurt; injure; wound
martelen aggrieve; hurt; offend; torment; torture
misdrijven do wrong; do wrongly; offend; wreak evil
ontstemmen offend; put out; ruffle; upset
pijn bezorgen hurt; injure; insult; maul; offend hurt; injure
pijn doen aggrieve; hurt; hurt someone's feelings; injure; insult; maul; offend hurt; injure
pijnigen aggrieve; hurt; offend; torment; torture assault; batter; beat up; molest; torture
verwonden hurt; injure; insult; maul; offend bruise; hurt; injure; wound
zeer doen aggrieve; hurt; hurt someone's feelings; injure; insult; maul; offend hurt; injure
zondigen commit a sin; offend; sin
- appal; appall; breach; break; bruise; go against; hurt; infract; injure; outrage; pique; scandalise; scandalize; shock; spite; transgress; violate; wound
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- trespass

Verwante woorden van "offend":


Synoniemen voor "offend":


Antoniemen van "offend":


Verwante definities voor "offend":

  1. cause to feel resentment or indignation1
    • Her tactless remark offended me1
  2. hurt the feelings of1
  3. strike with disgust or revulsion1
  4. act in disregard of laws, rules, contracts, or promises1
    • offend all laws of humanity1

Wiktionary: offend

offend
verb
  1. to feel or become offended
  2. to annoy, cause discomfort or resent
  3. to transgress or violate a law or moral requirement
  4. to physically harm, pain
  5. to hurt the feelings
offend
verb
  1. (overgankelijk) (formeel, nld) beledigen, krenken
  2. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
  3. beledigen

Cross Translation:
FromToVia
offend beledigen beleidigen — (umgangssprachlich) jemanden in seiner Ehre oder Würde durch Worte oder Taten verletzen
offend kwetsen; schofferen verletzen — jemanden psychische Wunden zufügen, kränken
offend overtreden verletzen — etwas (eine Grenze, ein Gesetz) übertreten, nicht einhalten, nicht beachten
offend affronteren; beledigen; krenken insulteroutrager de fait ou de parole, avec dessein préméditer d’offenser.
offend beledigen; grieven; krenken; verongelijken offenseroutrager quelqu’un par une offense.

Verwante vertalingen van offender