Remove Ads

Engels

Uitgebreide vertaling voor prepared (Engels) in het Nederlands

prepared:

prepared bijvoeglijk naamwoord

  1. prepared (ready for)
    voorbereid; bedacht; gewapend
  2. prepared (completed; over; finished; )
    voltooid; over; klaar; uit; afgelopen; geëindigd; gereed; voorbij; afgedaan; af
  3. prepared (ready; ready for use)
    paraat; gereed; klaar
    • paraat bijvoeglijk naamwoord
    • gereed bijvoeglijk naamwoord
    • klaar bijvoeglijk naamwoord

Verwante woorden van "prepared":


Synoniemen voor "prepared":


Antoniemen voor "prepared":


Verwante definities voor "prepared":

  1. equipped or prepared with necessary intellectual resources1
  2. made ready or fit or suitable beforehand1
    • a prepared statement1
    • be prepared for emergencies1
  3. having made preparations1
    • prepared to take risks1

prepare:

to prepare werkwoord (prepares, prepared, preparing)

  1. to prepare (make preparations)
    voorbereiden; voorbereiding treffen
  2. to prepare (introduce)
    voorbereiden op; inwerken; prepareren
    • voorbereiden op werkwoord
    • inwerken werkwoord (werk in, werkt in, werkte in, werkten in, ingewerkt)
    • prepareren werkwoord (prepareer, prepareert, prepareerde, prepareerden, geprepareerd)
  3. to prepare (kit out; fit out; rig out)
    uitrusten; toerusten; zich uitrusten
    • uitrusten werkwoord (rust uit, rustte uit, rustten uit, uitgerust)
    • toerusten werkwoord (rust toe, rustte toe, rustten toe, toegerust)
    • zich uitrusten werkwoord
  4. to prepare (brew; cook; make ready)
    bereiden; klaarmaken; prepareren; brouwen; iets toebereiden
    • bereiden werkwoord (bereid, bereidt, bereidde, bereidden, bereid)
    • klaarmaken werkwoord (maak klaar, maakt klaar, maakte klaar, maakten klaar, klaargemaakt)
    • prepareren werkwoord (prepareer, prepareert, prepareerde, prepareerden, geprepareerd)
    • brouwen werkwoord (brouw, brouwt, brouwde, brouwden, gebrouwd)
    • iets toebereiden werkwoord
  5. to prepare (create; make; conceptualize; )
    maken; scheppen; in het leven roepen
    • maken werkwoord (maak, maakt, maakte, maakten, gemaakt)
    • scheppen werkwoord (schep, schept, schepte, schepten, geschept)
    • in het leven roepen werkwoord (roep in het leven, roept in het leven, riep in het leven, riepen in het leven, in het leven geroepen)
  6. to prepare
    bereiden; klaarmaken; gereed maken; toebereiden; brouwen
    • bereiden werkwoord (bereid, bereidt, bereidde, bereidden, bereid)
    • klaarmaken werkwoord (maak klaar, maakt klaar, maakte klaar, maakten klaar, klaargemaakt)
    • gereed maken werkwoord (maak gereed, maakt gereed, maakte gereed, maakten gereed, gereed gemaakt)
    • toebereiden werkwoord (bereid toe, bereidt toe, bereidde toe, bereidden toe, toebereid)
    • brouwen werkwoord (brouw, brouwt, brouwde, brouwden, gebrouwd)
  7. to prepare
    prepareren; voorbewerken; voorwerken
    • prepareren werkwoord (prepareer, prepareert, prepareerde, prepareerden, geprepareerd)
    • voorbewerken werkwoord (bewerk voor, bewerkt voor, bewerkte voor, bewerkten voor, voorbewerkt)
    • voorwerken werkwoord (werk voor, werkt voor, werkte voor, werkten voor, voorgewerkt)
  8. to prepare
    klaarmaken; voorbereidingen treffen
  9. to prepare (make ready; get ready)
  10. to prepare (teach; instruct; train)
    onderwijzen; bijbrengen; doceren; onderrichten
    • onderwijzen werkwoord (onderwijs, onderwijst, onderwees, onderwezen, onderwezen)
    • bijbrengen werkwoord (breng bij, brengt bij, bracht bij, brachten bij, bijgebracht)
    • doceren werkwoord (doceer, doceert, doceerde, doceerden, gedoceerd)
    • onderrichten werkwoord (onderricht, onderrichtte, onderrichtten, onderricht)
  11. to prepare (instruct; inform; brief; )
    inlichten; voorlichten; onderrichten
    • inlichten werkwoord (licht in, lichtte in, lichtten in, ingelicht)
    • voorlichten werkwoord
    • onderrichten werkwoord (onderricht, onderrichtte, onderrichtten, onderricht)

Conjugations for prepare:

present
  1. prepare
  2. prepare
  3. prepares
  4. prepare
  5. prepare
  6. prepare
simple past
  1. prepared
  2. prepared
  3. prepared
  4. prepared
  5. prepared
  6. prepared
present perfect
  1. have prepared
  2. have prepared
  3. has prepared
  4. have prepared
  5. have prepared
  6. have prepared
past continuous
  1. was preparing
  2. were preparing
  3. was preparing
  4. were preparing
  5. were preparing
  6. were preparing
future
  1. shall prepare
  2. will prepare
  3. will prepare
  4. shall prepare
  5. will prepare
  6. will prepare
continuous present
  1. am preparing
  2. are preparing
  3. is preparing
  4. are preparing
  5. are preparing
  6. are preparing
subjunctive
  1. be prepared
  2. be prepared
  3. be prepared
  4. be prepared
  5. be prepared
  6. be prepared
diverse
  1. prepare!
  2. let's prepare!
  3. prepared
  4. preparing
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Verwante woorden van "prepare":


Synoniemen voor "prepare":


Verwante definities voor "prepare":

  1. make ready or suitable or equip in advance for a particular purpose or for some use, event, etc1
    • prepare for war1
  2. undergo training or instruction in preparation for a particular role, function, or profession1
  3. create by training and teaching1
  4. arrange by systematic planning and united effort1
  5. prepare for eating by applying heat1
  6. to prepare verbally, either for written or spoken delivery1
    • prepare a report1
    • prepare a speech1
  7. lead up to and soften by sounding the dissonant note in it as a consonant note in the preceding chord1
    • prepare the discord in bar 1391
  8. educate for a future role or function1
    • The prince was prepared to become King one day1

Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van prepared



Remove Ads

Remove Ads