Remove Ads

Spaans

Uitgebreide vertaling voor abandonar (Spaans) in het Nederlands

abandonar:

abandonar werkwoord

  1. abandonar (dejar; dejar plantado a alguien)
    in de steek laten; verlaten
    • in de steek laten werkwoord (laat in de steek, liet in de steek, lieten in de steek, in de steek gelaten)
    • verlaten werkwoord (verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
  2. abandonar (irse; salir; dejar; )
    vertrekken; verlaten; heengaan
    • vertrekken werkwoord (vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
    • verlaten werkwoord (verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
    • heengaan werkwoord (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
  3. abandonar (parar; terminar; suspender; )
    ophouden; stoppen; ermee uitscheiden; opgeven; staken; uitscheiden
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen werkwoord (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • ermee uitscheiden werkwoord
    • opgeven werkwoord (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
    • staken werkwoord (staak, staakt, staakte, staakten, gestaakt)
    • uitscheiden werkwoord (scheid uit, scheidt uit, scheidde uit, scheidden uit, uitgescheiden)
  4. abandonar (desentenderse; dejar; dejar de; )
    opgeven; stoppen; afhaken; ophouden; afzien van; afvallen; eruitstappen; afzeggen
    • opgeven werkwoord (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
    • stoppen werkwoord (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • afhaken werkwoord (haak af, haakt af, haakte af, haakten af, afgehaakt)
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • afzien van werkwoord
    • afvallen werkwoord (val af, valt af, viel af, vielen af, afgevallen)
    • eruitstappen werkwoord
    • afzeggen werkwoord (zeg af, zegt af, zei af, zeiden af, afgezegd)
  5. abandonar (irse de viaje; salir; irse; )
    verlaten; afreizen; wegtrekken; heengaan; verdwijnen; wegreizen
    • verlaten werkwoord (verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
    • afreizen werkwoord (reis af, reist af, reisde af, reisden af, afgereisd)
    • wegtrekken werkwoord (trek weg, trekt weg, trok weg, trokken weg, weggetrokken)
    • heengaan werkwoord (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
    • verdwijnen werkwoord (verdwijn, verdwijnt, verdween, verdwenen, verdwenen)
    • wegreizen werkwoord (reis weg, reist weg, reisde weg, reisden weg, weggereisd)
  6. abandonar (declarar; avisar; imponer; anunciar)
    declareren; aangeven
    • declareren werkwoord (declareer, declareert, declareerde, declareerden, gedeclareerd)
    • aangeven werkwoord (geef aan, geeft aan, gaf aan, gaven aan, aangegeven)
  7. abandonar (suscribirse a; suscribir; apuntarse; )
    inschrijven; intekenen
    • inschrijven werkwoord (schrijf in, schrijft in, schreef in, schreven in, ingeschreven)
    • intekenen werkwoord (teken in, tekent in, tekende in, tekenden in, ingetekend)
  8. abandonar (abrir; desanudar; hacer; )
    losmaken; uittrekken; uithalen; lostornen; tornen; loskrijgen
    • losmaken werkwoord (maak los, maakt los, maakte los, maakten los, losgemaakt)
    • uittrekken werkwoord (trek uit, trekt uit, trok uit, trokken uit, uitgetrokken)
    • uithalen werkwoord (haal uit, haalt uit, haalde uit, haalden uit, uitgehaald)
    • lostornen werkwoord (torn los, tornt los, tornde los, tornden los, losgetornd)
    • tornen werkwoord (torn, tornt, tornde, tornden, getornd)
    • loskrijgen werkwoord (krijg los, krijgt los, kreeg los, kregen los, losgekregen)
  9. abandonar (dormirse; morir; morirse; )
    overlijden; sterven; doodgaan; heengaan; inslapen; ontslapen; verscheiden
    • overlijden werkwoord (overlijd, overlijdt, overleed, overleden, overleden)
    • sterven werkwoord (sterf, sterft, stierf, stierven, getorven)
    • doodgaan werkwoord (ga dood, gaat dood, ging dood, gingen dood, doodgegaan)
    • heengaan werkwoord (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
    • inslapen werkwoord (slaap in, slaapt in, sliep in, sliepen in, ingeslapen)
    • ontslapen werkwoord (ontslaap, ontslaapt, ontsliep, ontsliepen, ontslapen)
    • verscheiden werkwoord (verscheid, verscheidt, verscheidde, verscheidden, verscheiden)
  10. abandonar (depositar; volver; suspender; )
    seponeren; afzien van rechtsvervolging
  11. abandonar (terminar; hacer huelga; ponerse en huelga; parar)
    spieken; afkijken
    • spieken werkwoord (spiek, spiekt, spiekte, spiekten, gespiekt)
    • afkijken werkwoord (kijk af, kijkt af, keek af, keken af, afgekeken)
  12. abandonar
    afbreken
    • afbreken werkwoord (breek af, breekt af, brak af, braken af, afgebroken)

Conjugations for abandonar:

presente
  1. abandono
  2. abandonas
  3. abandona
  4. abandonamos
  5. abandonáis
  6. abandonan
imperfecto
  1. abandonaba
  2. abandonabas
  3. abandonaba
  4. abandonábamos
  5. abandonabais
  6. abandonaban
indefinido
  1. abandoné
  2. abandonaste
  3. abandonó
  4. abandonamos
  5. abandonasteis
  6. abandonaron
fut. de ind.
  1. abandonaré
  2. abandonarás
  3. abandonará
  4. abandonaremos
  5. abandonaréis
  6. abandonarán
condic.
  1. abandonaría
  2. abandonarías
  3. abandonaría
  4. abandonaríamos
  5. abandonaríais
  6. abandonarían
pres. de subj.
  1. que abandone
  2. que abandones
  3. que abandone
  4. que abandonemos
  5. que abandonéis
  6. que abandonen
imp. de subj.
  1. que abandonara
  2. que abandonaras
  3. que abandonara
  4. que abandonáramos
  5. que abandonarais
  6. que abandonaran
miscelánea
  1. ¡abandona!
  2. ¡abandonad!
  3. ¡no abandones!
  4. ¡no abandonéis!
  5. abandonado
  6. abandonando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synoniemen voor "abandonar":


Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van abandonar



Remove Ads

Remove Ads