Remove Ads

Spaans

Uitgebreide vertaling voor apartar (Spaans) in het Nederlands

apartar:

apartar werkwoord

  1. apartar (poner en el establo; poner a un lado; poner en el garaje; depositar sobre)
    bewaren; opzij leggen; wegzetten
    • bewaren werkwoord (bewaar, bewaart, bewaarde, bewaarden, bewaard)
    • opzij leggen werkwoord (leg opzij, legt opzij, legde opzij, legden opzij, opzij gelegd)
    • wegzetten werkwoord (zet weg, zette weg, zetten weg, weggezet)
  2. apartar (enviar; mandar; despedir; )
    verzenden; sturen; opsturen; toezenden; posten; wegzenden; wegsturen
    • verzenden werkwoord (verzend, verzendt, verzond, verzonden, verzonden)
    • sturen werkwoord (stuur, stuurt, stuurde, stuurden, gestuurd)
    • opsturen werkwoord (stuur op, stuurt op, stuurde op, stuurden op, opgestuurd)
    • toezenden werkwoord (zend toe, zendt toe, zond toe, zonden toe, toegezonden)
    • posten werkwoord (post, postte, postten, gepost)
    • wegzenden werkwoord (zend weg, zendt weg, zond weg, zonden weg, weggezonden)
    • wegsturen werkwoord (stuur weg, stuurt weg, stuurde weg, stuurden weg, weggestuurd)
  3. apartar
    afschuiven
    • afschuiven werkwoord (schuif af, schuift af, schoof af, schoven af, afgeshoven)
  4. apartar
    uiteenzetten; uiteenplaatsen; uit elkaar plaatsen
  5. apartar (hospedarse; alojarse; habitar; )
    onderdak verschaffen; plaatsen; huisvesten; herbergen; onderbrengen; onderdak geven; iemand onderdak verlenen
    • onderdak verschaffen werkwoord (verschaf onderdak, verschaft onderdak, verschafte onderdak, verschaften onderdak, onderdak verschaft)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • huisvesten werkwoord (huisvest, huisvestte, huisvestten, gehuisvest)
    • herbergen werkwoord (herberg, herbergt, herbergde, herbergden, geherbergd)
    • onderbrengen werkwoord (breng onder, brengt onder, bracht onder, brachten onder, ondergebracht)
    • onderdak geven werkwoord (geef onderdak, geeft onderdak, gaf onderdak, gaven onderdak, onderdak gegeven)
  6. apartar (desviar; volver la espalda; apartarse)
    afwenden; afkeren
    • afwenden werkwoord (wend af, wendt af, wendde af, wendden af, afgewend)
    • afkeren werkwoord (keer af, keert af, keerde af, keerden af, afgekeerd)
  7. apartar (volver; distraer; parar; volverse)
    afwentelen; afwenden
    • afwentelen werkwoord (wentel af, wentelt af, wentelde af, wentelden af, afgewenteld)
    • afwenden werkwoord (wend af, wendt af, wendde af, wendden af, afgewend)
  8. apartar (poner aparte; aislar; escindir; )
    afscheiden; afzonderen; isoleren; afsplitsen
    • afscheiden werkwoord (scheid af, scheidt af, scheidde af, scheidden af, afgescheiden)
    • afzonderen werkwoord (zonder af, zondert af, zonderde af, zonderden af, afgezonderd)
    • isoleren werkwoord (isoleer, isoleert, isoleerde, isoleerden, geïsoleerd)
    • afsplitsen werkwoord (splits af, splitst af, splitste af, splitsten af, afgesplitst)
  9. apartar (poner aparte; aislar; guardar; separar)
    afzonderen; isoleren; apart zetten
    • afzonderen werkwoord (zonder af, zondert af, zonderde af, zonderden af, afgezonderd)
    • isoleren werkwoord (isoleer, isoleert, isoleerde, isoleerden, geïsoleerd)
    • apart zetten werkwoord
  10. apartar (rodar; girar; tornar; )
    draaien; wenden; zwenken
    • draaien werkwoord (draai, draait, draaide, draaiden, gedraaid)
    • wenden werkwoord (wend, wendt, wendde, wendden, gewend)
    • zwenken werkwoord (zwenk, zwenkt, zwenkte, zwenkten, gezwenkt)
  11. apartar (abrir; desanudar; hacer; )
    losmaken; uittrekken; uithalen; lostornen; tornen; loskrijgen
    • losmaken werkwoord (maak los, maakt los, maakte los, maakten los, losgemaakt)
    • uittrekken werkwoord (trek uit, trekt uit, trok uit, trokken uit, uitgetrokken)
    • uithalen werkwoord (haal uit, haalt uit, haalde uit, haalden uit, uitgehaald)
    • lostornen werkwoord (torn los, tornt los, tornde los, tornden los, losgetornd)
    • tornen werkwoord (torn, tornt, tornde, tornden, getornd)
    • loskrijgen werkwoord (krijg los, krijgt los, kreeg los, kregen los, losgekregen)

Conjugations for apartar:

presente
  1. aparto
  2. apartas
  3. aparta
  4. apartamos
  5. apartáis
  6. apartan
imperfecto
  1. apartaba
  2. apartabas
  3. apartaba
  4. apartábamos
  5. apartabais
  6. apartaban
indefinido
  1. aparté
  2. apartaste
  3. apartó
  4. apartamos
  5. apartasteis
  6. apartaron
fut. de ind.
  1. apartaré
  2. apartarás
  3. apartará
  4. apartaremos
  5. apartaréis
  6. apartarán
condic.
  1. apartaría
  2. apartarías
  3. apartaría
  4. apartaríamos
  5. apartaríais
  6. apartarían
pres. de subj.
  1. que aparte
  2. que apartes
  3. que aparte
  4. que apartemos
  5. que apartéis
  6. que aparten
imp. de subj.
  1. que apartara
  2. que apartaras
  3. que apartara
  4. que apartáramos
  5. que apartarais
  6. que apartaran
miscelánea
  1. ¡aparta!
  2. ¡apartad!
  3. ¡no apartes!
  4. ¡no apartéis!
  5. apartado
  6. apartando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

apartar [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el apartar
    opzij leggen
  2. el apartar (evitar)
    afzwenken; afwenden; afdraaien; wegdraaien

Synoniemen voor "apartar":


Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van apartar



Remove Ads

Remove Ads