Remove Ads

Spaans

Uitgebreide vertaling voor apoyo (Spaans) in het Nederlands

apoyo:

apoyo [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el apoyo (agarradero; sostenimiento; respaldo; )
    de ondersteuning; de steun; de houvast
    • ondersteuning [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • steun [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • houvast [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. el apoyo (ayuda; socorro; respaldo)
    de hulp; de ondersteuning; de steun; de bijstand
    • hulp [de ~] zelfstandig naamwoord
    • ondersteuning [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • steun [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • bijstand [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  3. el apoyo (soporte; ayuda; auxilio; )
    de ondersteuning; het support; de steun
    • ondersteuning [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • support [het ~] zelfstandig naamwoord
    • steun [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  4. el apoyo (sostén)
    de steun; de steunpilaar; de toeverlaat
  5. el apoyo (soporte; ayuda; respaldo; puntal)
    de ondersteuning; de steun
  6. el apoyo (atención al cliente; servicio; muestra de servicio; )
    de service; de bediening; uitserveren
  7. el apoyo (asistencia; ayuda; respaldo)
    de medewerking; de assistentie
  8. el apoyo (ayuda; asistencia; auxilio social; )
    het dienstbetoon; het hulpbetoon
  9. el apoyo (respaldo)
    het steuntje
    • steuntje [het ~] zelfstandig naamwoord
  10. el apoyo (parapeto; terraplén; antepecho; )
    de borstwering
  11. el apoyo (ayuda; asistencia; ayuda social; )
    de hulpverlening; de hulp; de bijstand; de assistentie; het hulpbetoon; de handreiking
  12. el apoyo (alivio; ayuda; asistencia; )
    de leniging
    • leniging [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
  13. el apoyo (socorro; ayuda; respaldo; )
    de schoor; de schraag
    • schoor [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • schraag [de ~] zelfstandig naamwoord
  14. el apoyo (subsidio de auxilio social; pago; ayuda; )
    sociale bijstand
  15. el apoyo (seguro de desempleo; respaldo; ayuda; )
    de werkeloosheidsuitkering
  16. el apoyo (respaldo; sostén)
    de ruggensteun

Verwante woorden van "apoyo":

  • apoyos

Synoniemen voor "apoyo":


apoyar:

apoyar werkwoord

  1. apoyar (sostener)
    ondersteunen; steunen; rugsteunen
    • ondersteunen werkwoord (ondersteun, ondersteunt, ondersteunde, ondersteunden, ondersteund)
    • steunen werkwoord (steun, steunt, steunde, steunden, gesteund)
    • rugsteunen werkwoord
  2. apoyar (apuntalar; soportar; poner puntales; sujetar)
    ondersteunen; steunen; stutten; schoren; dragen; schragen
    • ondersteunen werkwoord (ondersteun, ondersteunt, ondersteunde, ondersteunden, ondersteund)
    • steunen werkwoord (steun, steunt, steunde, steunden, gesteund)
    • stutten werkwoord (stut, stutte, stutten, gestut)
    • schoren werkwoord (schoor, schoort, schoorde, schoorden, geschoord)
    • dragen werkwoord (draag, draagt, droeg, droegen, gedragen)
    • schragen werkwoord (schraag, schraagt, schraagde, schraagden, geschraagd)
  3. apoyar (apuntalar)
    stutten; schragen; met palen stutten
    • stutten werkwoord (stut, stutte, stutten, gestut)
    • schragen werkwoord (schraag, schraagt, schraagde, schraagden, geschraagd)
    • met palen stutten werkwoord (stut met palen, stutte met palen, stutten met palen, met palen gestut)
  4. apoyar (incitar a; estimular; soportar; )
    aansporen; aanjagen; opjutten; porren
    • aansporen werkwoord (spoor aan, spoort aan, spoorde aan, spoorden aan, aangespoord)
    • aanjagen werkwoord (jaag aan, jaagt aan, joeg aan, joegen aan, aangejaagd)
    • opjutten werkwoord (jut op, jutte op, jutten op, opgejut)
    • porren werkwoord (por, port, porde, porden, gepord)
  5. apoyar (motivar; encender; incitar; )
    stimuleren; aanmoedigen; prikkelen; iemand motiveren
    • stimuleren werkwoord (stimuleer, stimuleert, stimuleerde, stimuleerden, gestimuleerd)
    • aanmoedigen werkwoord (moedig aan, moedigt aan, moedigde aan, moedigden aan, aangemoedigd)
    • prikkelen werkwoord (prikkel, prikkelt, prikkelde, prikkelden, geprikkeld)
    • iemand motiveren werkwoord
  6. apoyar (motivar; alentar; levantar; )
    motiveren
    • motiveren werkwoord (motiveer, motiveert, motiveerde, motiveerden, gemotiveerd)

Conjugations for apoyar:

presente
  1. apoyo
  2. apoyas
  3. apoya
  4. apoyamos
  5. apoyáis
  6. apoyan
imperfecto
  1. apoyaba
  2. apoyabas
  3. apoyaba
  4. apoyábamos
  5. apoyabais
  6. apoyaban
indefinido
  1. apoyé
  2. apoyaste
  3. apoyó
  4. apoyamos
  5. apoyasteis
  6. apoyaron
fut. de ind.
  1. apoyaré
  2. apoyarás
  3. apoyará
  4. apoyaremos
  5. apoyaréis
  6. apoyarán
condic.
  1. apoyaría
  2. apoyarías
  3. apoyaría
  4. apoyaríamos
  5. apoyaríais
  6. apoyarían
pres. de subj.
  1. que apoye
  2. que apoyes
  3. que apoye
  4. que apoyemos
  5. que apoyéis
  6. que apoyen
imp. de subj.
  1. que apoyara
  2. que apoyaras
  3. que apoyara
  4. que apoyáramos
  5. que apoyarais
  6. que apoyaran
miscelánea
  1. ¡apoya!
  2. ¡apoyad!
  3. ¡no apoyes!
  4. ¡no apoyéis!
  5. apoyado
  6. apoyando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synoniemen voor "apoyar":


apoyo vorm van apoyarse:

apoyarse [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el apoyarse (reclinar; arrimarse)
    leunen
    • leunen [znw.] zelfstandig naamwoord

Synoniemen voor "apoyarse":


Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van apoyo



Remove Ads

Remove Ads