Remove Ads

Spaans

Uitgebreide vertaling voor ayuda (Spaans) in het Nederlands

ayuda:

ayuda [la ~] zelfstandig naamwoord

  1. la ayuda (ayudante; asistente; colaborador; )
    de assistent; de hulp; de secondant; de helper
    • assistent [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • hulp [de ~] zelfstandig naamwoord
    • secondant [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • helper [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. la ayuda (apoyo; socorro; respaldo)
    de hulp; de ondersteuning; de steun; de bijstand
    • hulp [de ~] zelfstandig naamwoord
    • ondersteuning [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • steun [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • bijstand [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  3. la ayuda (asistencia; apoyo; respaldo)
    de medewerking; de assistentie
  4. la ayuda (auxilio social; asistencia; servicio; ayuda económica)
    de ondersteuning; de bijstand
  5. la ayuda (misa; empleo)
    de dienst; kerkviering; de mis
    • dienst [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • kerkviering [znw.] zelfstandig naamwoord
    • mis [de ~] zelfstandig naamwoord
  6. la ayuda (asistencia; ayuda social; auxilio social; )
    de hulpverlening; de hulp; de bijstand; de assistentie; het hulpbetoon; de handreiking
  7. la ayuda (apoyo; asistencia; auxilio social; )
    het dienstbetoon; het hulpbetoon
  8. la ayuda (servicio; prestación de servicios; atención al cliente; )
    de dienstverlening; de assistentie
  9. la ayuda (apoyo; soporte; respaldo; puntal)
    de ondersteuning; de steun
  10. la ayuda (soporte; apoyo; auxilio; )
    de ondersteuning; het support; de steun
    • ondersteuning [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • support [het ~] zelfstandig naamwoord
    • steun [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  11. la ayuda (señora de la limpieza; limpiadora; asistencia; )
    de schoonmaakster; de poetsvrouw; de werkster; de hulp
  12. la ayuda (atención al cliente; servicio; muestra de servicio; )
    de service; de bediening; uitserveren
  13. la ayuda (ayudante)
    de knecht; het hulpje
    • knecht [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • hulpje [het ~] zelfstandig naamwoord
  14. la ayuda (auxilio social; soporte; asistencia; )
    de ondersteuning; de bijstand; maatschappelijke hulpverlening; de hulp; de steun
  15. la ayuda (subsidio de auxilio social; pago; asistencia; )
    sociale bijstand
  16. la ayuda (alivio; apoyo; asistencia; )
    de leniging
    • leniging [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
  17. la ayuda (apoyo; socorro; respaldo; )
    de schoor; de schraag
    • schoor [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • schraag [de ~] zelfstandig naamwoord
  18. la ayuda (seguro de desempleo; respaldo; apoyo; )
    de werkeloosheidsuitkering

ayuda [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el ayuda (ayudante; asistente)
    de hulpjes; de loopjongens

Synoniemen voor "ayuda":


ayudar:

ayudar werkwoord

  1. ayudar (asistir; ser de ayuda; servir; )
    helpen; assisteren; ondersteunen; seconderen; bijstaan; bijspringen; weldoen
    • helpen werkwoord (help, helpt, hielp, hielpen, geholpen)
    • assisteren werkwoord (assisteer, assisteert, assisteerde, assisteerden, geassisteerd)
    • ondersteunen werkwoord (ondersteun, ondersteunt, ondersteunde, ondersteunden, ondersteund)
    • seconderen werkwoord (secondeer, secondeert, secondeerde, secondeerden, gesecondeerd)
    • bijstaan werkwoord (sta bij, staat bij, stond bij, stonden bij, bijgestaan)
    • bijspringen werkwoord (spring bij, springt bij, sprong bij, sprongen bij, bijgesprongen)
    • weldoen werkwoord (doe wel, doet wel, deed wel, deden wel, welgedaan)
  2. ayudar (asistir)
    meehelpen; bijspringen
    • meehelpen werkwoord (help mee, helpt mee, hielp mee, hielpen mee, meegeholpen)
    • bijspringen werkwoord (spring bij, springt bij, sprong bij, sprongen bij, bijgesprongen)
  3. ayudar (promocionar)
    promoten; avanceren; helpen
    • promoten werkwoord (promoot, promootte, promootten, gepromoot)
    • avanceren werkwoord (avanceer, avanceert, avanceerde, avanceerden, geavanceerd)
    • helpen werkwoord (help, helpt, hielp, hielpen, geholpen)
  4. ayudar
  5. ayudar (contribuir; aportar)
    bijdragen; meehelpen
    • bijdragen werkwoord (draag bij, draagt bij, droeg bij, droegen bij, bijgedragen)
    • meehelpen werkwoord (help mee, helpt mee, hielp mee, hielpen mee, meegeholpen)
  6. ayudar (ser útil)
  7. ayudar (atender; auxiliar; asistir)
    bijspringen; iemand vervangen
  8. ayudar (hacer progresar)
    vooruithelpen; verderhelpen
    • vooruithelpen werkwoord (help vooruit, helpt vooruit, hielp vooruit, hielpen vooruit, vooruitgeholpen)
    • verderhelpen werkwoord (help verder, helpt verder, hielp verder, hielpen verder, verder geholpen)
  9. ayudar (asistir; atender; contribuir; )
    assisteren; handreiken
    • assisteren werkwoord (assisteer, assisteert, assisteerde, assisteerden, geassisteerd)
    • handreiken werkwoord

Conjugations for ayudar:

presente
  1. ayudo
  2. ayudas
  3. ayuda
  4. ayudamos
  5. ayudáis
  6. ayudan
imperfecto
  1. ayudaba
  2. ayudabas
  3. ayudaba
  4. ayudábamos
  5. ayudabais
  6. ayudaban
indefinido
  1. ayudé
  2. ayudaste
  3. ayudó
  4. ayudamos
  5. ayudasteis
  6. ayudaron
fut. de ind.
  1. ayudaré
  2. ayudarás
  3. ayudará
  4. ayudaremos
  5. ayudaréis
  6. ayudarán
condic.
  1. ayudaría
  2. ayudarías
  3. ayudaría
  4. ayudaríamos
  5. ayudaríais
  6. ayudarían
pres. de subj.
  1. que ayude
  2. que ayudes
  3. que ayude
  4. que ayudemos
  5. que ayudéis
  6. que ayuden
imp. de subj.
  1. que ayudara
  2. que ayudaras
  3. que ayudara
  4. que ayudáramos
  5. que ayudarais
  6. que ayudaran
miscelánea
  1. ¡ayuda!
  2. ¡ayudad!
  3. ¡no ayudes!
  4. ¡no ayudéis!
  5. ayudado
  6. ayudando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synoniemen voor "ayudar":


Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van ayuda



Remove Ads

Remove Ads