Spaans

Uitgebreide vertaling voor castigo (Spaans) in het Nederlands

castigo:

castigo [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el castigo (sanción)
    de bestraffing; de straf; de kastijding; de tuchtiging
  2. el castigo (castigación; sanción; correctivo)
    de afstraffing
  3. el castigo (pena)
    de strafmiddelen; het strafmiddel

Vertaal Matrix voor castigo:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afstraffing castigación; castigo; correctivo; sanción
bestraffing castigo; sanción
kastijding castigo; sanción
straf castigo; sanción carcelería; encarcelamiento; pena de prisión; prisión
strafmiddel castigo; pena
strafmiddelen castigo; pena
tuchtiging castigo; sanción
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
straf fuerte

Verwante woorden van "castigo":

  • castigos, castiga, castigas

Synoniemen voor "castigo":


Wiktionary: castigo

castigo
noun
  1. het gerechtelijk afschrijven
  2. het bestraffen
  3. het bezocht worden door een kwelgeest
  4. een wijdverspreid ongemak of fysieke bedreiging veroorzaakt door een buitensporig optreden van organismen als insecten, bacteriën, knaagdieren enz
  5. maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
  6. juridisch|nld het opleggen van straf door een rechterlijk vonnis

Cross Translation:
FromToVia
castigo discipline; tuchtstraf; tuchtiging discipline — punishment
castigo straf penalty — punishment for violating rules of procedure
castigo straf punishment — penalty for wrongdoing
castigo verdriet; ergernis; bestraffing; straf; moeite; poging; pijn; wee; zeer peinepunition, sanction ou châtiment infliger(e) pour une faute commettre, pour un acte jugé répréhensible ou coupable.
castigo bestraffing; straf punitionaction de punir.

castigo vorm van castigar:

castigar werkwoord

  1. castigar (afligir; molestar; atormentar; fastidiar; gastar bromas)
    lastigvallen; teisteren
    • lastigvallen werkwoord (val lastig, valt lastig, viel lastig, vielen lastig, lastig gevallen)
    • teisteren werkwoord (teister, teistert, teisterde, teisterden, geteisterd)
  2. castigar (sancionar)
    kastijden; tuchtigen; geselen
    • kastijden werkwoord (kastijd, kastijdt, kastijdde, kastijdden, gekastijd)
    • tuchtigen werkwoord (tuchtig, tuchtigt, tuchtigde, tuchtigden, getuchtigd)
    • geselen werkwoord (gesel, geselt, geselde, geselden, gegeseld)
  3. castigar (aporrear; sobar; pegar; )
    iemand toetakelen; afranselen

Conjugations for castigar:

presente
  1. castigo
  2. castigas
  3. castiga
  4. castigamos
  5. castigáis
  6. castigan
imperfecto
  1. castigaba
  2. castigabas
  3. castigaba
  4. castigábamos
  5. castigabais
  6. castigaban
indefinido
  1. castigué
  2. castigaste
  3. castigó
  4. castigamos
  5. castigasteis
  6. castigaron
fut. de ind.
  1. castigaré
  2. castigarás
  3. castigará
  4. castigaremos
  5. castigaréis
  6. castigarán
condic.
  1. castigaría
  2. castigarías
  3. castigaría
  4. castigaríamos
  5. castigaríais
  6. castigarían
pres. de subj.
  1. que castigue
  2. que castigues
  3. que castigue
  4. que castiguemos
  5. que castiguéis
  6. que castiguen
imp. de subj.
  1. que castigara
  2. que castigaras
  3. que castigara
  4. que castigáramos
  5. que castigarais
  6. que castigaran
miscelánea
  1. ¡castiga!
  2. ¡castigad!
  3. ¡no castigues!
  4. ¡no castiguéis!
  5. castigado
  6. castigando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor castigar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afranselen paliza
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afranselen aporrear; azotar; cascar; castigar; dar una soba a; malparar; maltratar; moler a palos; pegar; sobar; solfear; tundir a golpes; zurrar apalear; aporrear; darle una paliza a alguien; darle una tunda de golpes; flagelar; vapulear
geselen castigar; sancionar
iemand toetakelen aporrear; azotar; cascar; castigar; dar una soba a; malparar; maltratar; moler a palos; pegar; sobar; solfear; tundir a golpes; zurrar
kastijden castigar; sancionar
lastigvallen afligir; atormentar; castigar; fastidiar; gastar bromas; molestar
teisteren afligir; atormentar; castigar; fastidiar; gastar bromas; molestar
tuchtigen castigar; sancionar

Synoniemen voor "castigar":


Wiktionary: castigar

castigar
verb
  1. (overgankelijk) straf uitdelen aan iemand
  2. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad

Cross Translation:
FromToVia
castigar huisarrest geven ground — to require a child to remain at home
castigar straffen; afstraffen; bestraffen punish — to cause to suffer for crime or misconduct
castigar afstraffen abstrafen — (transitiv) eine Strafe an jemandem vollziehen
castigar bestraffen bestrafen — (transitiv) jemandem aufgrund einer schlechten Handlung negative Konsequenzen zuführen
castigar straffen strafen — (transitiv) eine unangenehme Erfahrung machen lassen, als Folge einer nicht erwünschten Handlung; eine Strafe auferlegen
castigar straffen; bestraffen punirinfliger une correction à quelqu’un.

Verwante vertalingen van castigo