Spaans

Uitgebreide vertaling voor contar (Spaans) in het Nederlands

contar:

contar werkwoord

  1. contar (narrar)
    vertellen; verhalen; verhaal vertellen
  2. contar (narrar; exponer)
    zeggen; vertellen; uiteenzetten; verhalen; mededelen
    • zeggen werkwoord (zeg, zeg/zegt, zegt, zei, zeiden, gezegd)
    • vertellen werkwoord (vertel, vertelt, vertelde, vertelden, verteld)
    • uiteenzetten werkwoord (zet uiteen, zette uiteen, zetten uiteen, uiteengezet)
    • verhalen werkwoord (verhaal, verhaalt, verhaalde, verhaalden, verhaald)
    • mededelen werkwoord (deel mede, deelt mede, deelde mede, deelden mede, medegedeeld)
    beschrijven
    – precies vertellen hoe het eruitziet of hoe het ging 1
    • beschrijven werkwoord (beschrijf, beschrijft, beschreef, beschrijfden, beschreven)
      • de nieuwslezer beschreef de gebeurtenissen1
  3. contar
    tellen
    • tellen werkwoord (tel, telt, telde, telden, geteld)
  4. contar (hablar; parlar; hacer correr la voz; )
    spreken; wauwelen; praten; babbelen; kwebbelen; kletsen; zwammen; kakelen; kwetteren; klappen; kwekken; snateren
    • spreken werkwoord
    • wauwelen werkwoord (wauwel, wauwelt, wauwelde, wauwelden, gewauweld)
    • praten werkwoord (praat, praatte, praatten, gepraat)
    • babbelen werkwoord (babbel, babbelt, babbelde, babbelden, gebabbeld)
    • kwebbelen werkwoord (kwebbel, kwebbelt, kwebbelde, kwebbelden, gekwebbeld)
    • kletsen werkwoord (klets, kletst, kletste, kletsten, gekletst)
    • zwammen werkwoord (zwam, zwamt, zwamde, zwamden, gezwamd)
    • kakelen werkwoord (kakel, kakelt, kakelde, kakelden, gekakeld)
    • kwetteren werkwoord (kwetter, kwettert, kwetterde, kwetterden, gekwetterd)
    • klappen werkwoord (klap, klapt, klapte, klapten, geklapt)
    • kwekken werkwoord (kwek, kwekt, kwekte, kwekten, gekwekt)
    • snateren werkwoord (snater, snatert, snaterde, snaterden, gesnaterd)
  5. contar (calcular)
    rekenen
    • rekenen werkwoord (reken, rekent, rekende, rekenden, gerekend)
  6. contar (calcular; estimar; computar)
    berekenen; begroten
    • berekenen werkwoord (bereken, berekent, berekende, berekenden, berekend)
    • begroten werkwoord (begroot, begrootte, begrootten, begroot)
  7. contar (añadir; incluir; agregar; contar también)
    toevoegen; erbij tellen; erbij optellen
    • toevoegen werkwoord (voeg toe, voegt toe, voegde toe, voegden toe, toegevoegd)
    • erbij tellen werkwoord (tel erbij, telt erbij, telde erbij, telden erbij, erbij geteld)
    • erbij optellen werkwoord (tel erbij op, telt erbij op, telde erbij op, telden erbij op, erbij opgeteld)
  8. contar (contar también; tener en cuenta)
    meetellen; meerekenen; erbij rekenen
    • meetellen werkwoord (tel mee, telt mee, telde mee, telden mee, meegeteld)
    • meerekenen werkwoord (reken mee, rekent mee, rekende mee, rekenden mee, meegerekend)
    • erbij rekenen werkwoord
  9. contar (tomar en cuenta; incluir; tener en cuenta; contar también)
    meerekenen; meetellen
    • meerekenen werkwoord (reken mee, rekent mee, rekende mee, rekenden mee, meegerekend)
    • meetellen werkwoord (tel mee, telt mee, telde mee, telden mee, meegeteld)
  10. contar (pagar la cantidad exacta; numerar; pagar con cambio; pagar en suelto)
    passen; aftellen; geld afpassen
    • passen werkwoord (pas, past, paste, pasten, gepast)
    • aftellen werkwoord (tel af, telt af, telde af, telden af, afgeteld)
    • geld afpassen werkwoord
  11. contar (tomar en cuenta; incluir; tener en cuenta)
    meeberekenen
    • meeberekenen werkwoord (bereken mee, berekent mee, berekende mee, berekenden mee, meeberekend)

Conjugations for contar:

presente
  1. cuento
  2. cuentas
  3. cuenta
  4. contamos
  5. contáis
  6. cuentan
imperfecto
  1. contaba
  2. contabas
  3. contaba
  4. contábamos
  5. contabais
  6. contaban
indefinido
  1. conté
  2. contaste
  3. contó
  4. contamos
  5. contasteis
  6. contaron
fut. de ind.
  1. contaré
  2. contarás
  3. contará
  4. contaremos
  5. contaréis
  6. contarán
condic.
  1. contaría
  2. contarías
  3. contaría
  4. contaríamos
  5. contaríais
  6. contarían
pres. de subj.
  1. que cuente
  2. que cuentes
  3. que cuente
  4. que contemos
  5. que contéis
  6. que cuenten
imp. de subj.
  1. que contara
  2. que contaras
  3. que contara
  4. que contáramos
  5. que contarais
  6. que contaran
miscelánea
  1. ¡cuenta!
  2. ¡contad!
  3. ¡no cuentes!
  4. ¡no contéis!
  5. contado
  6. contando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor contar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aftellen ir contando
klappen aplauso; aplausos; estallidos; golpes; golpes con el puño; ovaciones; ovación; palmadas; puñetazos; sobadura
passen pasos; probar
tellen cuenta; numeración
toevoegen añadir; incorporar
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aftellen contar; numerar; pagar con cambio; pagar en suelto; pagar la cantidad exacta
babbelen comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear cacarear; cascar; charlar; cloquear; cotorrear; parlanchinear; parlar; parlotear
begroten calcular; computar; contar; estimar estimar; presupuestar
berekenen calcular; computar; contar; estimar calcular; estimar; presupuestar en
beschrijven contar; exponer; narrar definir; describir; detallar; escribir en; explicar; expresar; hacer un boceto; hacerse eco de; interpretar; reflejar; reproducir
erbij optellen agregar; añadir; contar; contar también; incluir
erbij rekenen contar; contar también; tener en cuenta
erbij tellen agregar; añadir; contar; contar también; incluir adjuntar; agregar; añadir; enumerar; incluir; sumar
geld afpassen contar; numerar; pagar con cambio; pagar en suelto; pagar la cantidad exacta
kakelen comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear cascar; cotorrear
klappen comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear aplaudir; batir palmas; entrar en erupción; estallar; explosionar; explotar; hacer explosión; palmotear
kletsen comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear cacarear; cascar; charlar; cloquear; comprar tonteras; conversar; cotorrear; decir tonterías; delirar; desvariar; disparatar; echar una parrafada; parlanchinear; parlar; parlotear
kwebbelen comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear cacarear; cascar; charlar; cloquear; cotorrear; parlanchinear; parlar; parlotear
kwekken comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear charlar; conversar; croar; hablar; parlar; parpar; vocear
kwetteren comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear cantar; cascar; cotorrear; croar; garlar; gorjear; parpar; piar; trinar; vocear
mededelen contar; exponer; narrar
meeberekenen contar; incluir; tener en cuenta; tomar en cuenta
meerekenen contar; contar también; incluir; tener en cuenta; tomar en cuenta
meetellen contar; contar también; incluir; tener en cuenta; tomar en cuenta
passen contar; numerar; pagar con cambio; pagar en suelto; pagar la cantidad exacta abrirse; ajustar; aparecer; arreglárselas; brotar; convenir; corresponder; encajar; probarse; probarse una prenda de vestir; quedar bien; resultar; salir; ser adecuado; ser claro; ser evidente; ser manifiesto; tener suficiente; venir bien
praten comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear charlar; conversar; hablar; parlar
rekenen calcular; contar
snateren comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear cascar; cotorrear; croar; parpar; vocear
spreken comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear charlar; conversar; hablar
tellen contar
toevoegen agregar; añadir; contar; contar también; incluir abarcar; abrazar; acceder; acompañar; acorralar; adjuntar; agregar; aislar; alzar; ampliar; anexar; apostar; añadir; completar; comprimir; contener; contornear; copar; cubrir; dominar; encapsular; encerrar; englobar; envolver; incluir; insertar; limitar; restringir; sumar; suplir el déficit
uiteenzetten contar; exponer; narrar aclarar; aclararse; apartar; certificar; declarar; desdoblar; desplegar; detallar; elucidar; explicar; explicarse mejor; exponer; ilustrar; interpretar; manifestar; poner en claro
verhaal vertellen contar; narrar
verhalen contar; exponer; narrar
vertellen contar; exponer; narrar poner sobre el tapete; sacar a relucir
wauwelen comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear farfullar
zeggen contar; exponer; narrar advertir; comunicar; dar informes; hablar; hacer saber; informar; parlar; poner sobre el tapete; sacar a relucir
zwammen comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear chacharear; charlar; cotorrear; desvariar; echar una parrafada; hablar por hablar; parlanchinear; parlotear

Synoniemen voor "contar":


Wiktionary: contar

contar
verb
  1. verhalen, vertellen
  2. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
  3. getallen manipuleren
  4. aantal bepalen
  5. een verhaal vertellen
  6. een al of niet ware gebeurtenis verhalen

Cross Translation:
FromToVia
contar tellen count — to enumerate or determine number
contar vertellen; verhalen narrate — to relate a story
contar rekenen op rely — rest with confidence
contar vertellen; zeggen tell — to pass information
contar rekenen rechnenrechnen mit: stark vermuten, dass etwas geschehen wird; voraussehen
contar tellen zählentransitiv: die Anzahl bestimmen
contar calculeren; rekenen; berekenen; tellen; uitrekenen calculerdéterminer un nombre au moyen d’un calcul, de calculs.
contar calculeren; rekenen; berekenen; tellen; uitrekenen compterdéterminer (une quantité, un nombre), plus particulièrement par un dénombrement, sinon par un calcul.
contar debiteren; verhalen; vertellen raconter — Conter, narrer, faire le récit

Verwante vertalingen van contar