Overzicht
Spaans naar Nederlands: Meer gegevens...
-
dejar:
- laten; toelaten; permitteren; achterlaten; nalaten; vermaken; iemand iets nalaten; opgeven; stoppen; afhaken; ophouden; afzien van; afvallen; eruitstappen; afzeggen; vertrekken; verlaten; heengaan; in de steek laten; afzetten; laten uitstappen; aflaten; droppen; ergens loslaten; overlaten; vrijlaten; in vrijheid stellen; bevrijden; losmaken; van de boeien ontdoen; loslaten; veronachtzamen; vrijgeven; vrijaf geven; uittrekken; uithalen; lostornen; tornen; loskrijgen; in de hoogte houden; hooghouden; omhooghouden
- afstappen; afzien van; neerzetten
Spaans
Uitgebreide vertaling voor dejar (Spaans) in het Nederlands
dejar:
-
dejar (permitir; darse el lujo de; admitir; consentir; permitirse)
-
dejar (dejar atrás; dejar en herencia)
-
dejar (dejar atrás; dejar en herencia)
-
dejar (desentenderse; dejar de; abandonar; retirarse; salir de; quedar eliminado; parar; desprenderse; desenganchar; salir; soltar; desvincular; desemprender)
opgeven; stoppen; afhaken; ophouden; afzien van; afvallen; eruitstappen; afzeggen-
afzien van werkwoord
-
eruitstappen werkwoord
-
dejar (irse; salir; marcharse; retirarse; abandonar; cesar)
-
dejar (abandonar; dejar plantado a alguien)
in de steek laten; verlaten-
in de steek laten werkwoord (laat in de steek, liet in de steek, lieten in de steek, in de steek gelaten)
-
-
dejar (dejar bajar; dejar salir; depositar; dar salida; llevar hasta; hacer bajar)
-
dejar (no ponerse; desistir de)
-
dejar
-
dejar
-
dejar (dejar libre; poner en libertad; libertar; excarcelar; liberar; dar libertad)
vrijlaten; in vrijheid stellen; bevrijden; losmaken; van de boeien ontdoen; loslaten-
in vrijheid stellen werkwoord (stel in vrijheid, stelt in vrijheid, stelde in vrijheid, stelden in vrijheid, in vrijheid gesteld)
-
van de boeien ontdoen werkwoord (ontdoe van de boeien, ontdoet van de boeien, ontdeed van de boeien, ontdeden van de boeien, van de boeien ontdaan)
-
dejar (descuidar; desatender)
veronachtzamen; nalaten-
veronachtzamen werkwoord (veronachtzaam, veronachtzaamt, veronachtzaamde, veronachtzaamden, veronachtzaamd)
-
-
dejar (dejar correr; aflojar; arriar; dejar ir a una persona; dejar marchar a una persona)
-
dejar (abrir; desanudar; hacer; extraer; desconectar; sacar; despertar; quitarse; desnudarse; limpiar a fondo; asignar; descolgar; censurar; estirar el pie; despojarse de; lograr desprender; salir; arrancar; abandonar; soltar; relajar; separar; desprenderse; apartar; vaciar; deshacer; estirar; desatar; destinar; resumir; reprochar; criticar; retirarse; desabrochar; desvincular; soltarse; descoser; desentenderse; mullir; salir de; desenganchar; tirar de; lograr desanudar; lograr desabrochar; sacar el estiércol; estirar el brazo)
-
dejar (sostener; cesar; levantar; detener; hacer respetar)
Conjugations for dejar:
presente
- dejo
- dejas
- deja
- dejamos
- dejáis
- dejan
imperfecto
- dejaba
- dejabas
- dejaba
- dejábamos
- dejabais
- dejaban
indefinido
- dejé
- dejaste
- dejó
- dejamos
- dejasteis
- dejaron
fut. de ind.
- dejaré
- dejarás
- dejará
- dejaremos
- dejaréis
- dejarán
condic.
- dejaría
- dejarías
- dejaría
- dejaríamos
- dejaríais
- dejarían
pres. de subj.
- que deje
- que dejes
- que deje
- que dejemos
- que dejéis
- que dejen
imp. de subj.
- que dejara
- que dejaras
- que dejara
- que dejáramos
- que dejarais
- que dejaran
miscelánea
- ¡deja!
- ¡dejad!
- ¡no dejes!
- ¡no dejéis!
- dejado
- dejando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes
Synoniemen voor "dejar":
Computer vertaling door derden:
Images: