Remove Ads

Spaans

Uitgebreide vertaling voor dejar (Spaans) in het Nederlands

dejar:

dejar werkwoord

  1. dejar (permitir; darse el lujo de; admitir; consentir; permitirse)
    laten; toelaten; permitteren
    • laten werkwoord (laat, liet, lieten, gelaten)
    • toelaten werkwoord (laat toe, liet toe, lieten toe, toegelaten)
    • permitteren werkwoord (permitteer, permitteert, permitteerde, permitteerden, gepermitteerd)
  2. dejar (dejar atrás; dejar en herencia)
    achterlaten; nalaten
    • achterlaten werkwoord (laat achter, liet achter, lieten achter, achtergelaten)
    • nalaten werkwoord (laat na, liet na, lieten na, nagelaten)
  3. dejar (dejar atrás; dejar en herencia)
    nalaten; vermaken; iemand iets nalaten
  4. dejar (desentenderse; dejar de; abandonar; )
    opgeven; stoppen; afhaken; ophouden; afzien van; afvallen; eruitstappen; afzeggen
    • opgeven werkwoord (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
    • stoppen werkwoord (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • afhaken werkwoord (haak af, haakt af, haakte af, haakten af, afgehaakt)
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • afzien van werkwoord
    • afvallen werkwoord (val af, valt af, viel af, vielen af, afgevallen)
    • eruitstappen werkwoord
    • afzeggen werkwoord (zeg af, zegt af, zei af, zeiden af, afgezegd)
  5. dejar (irse; salir; marcharse; )
    vertrekken; verlaten; heengaan
    • vertrekken werkwoord (vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
    • verlaten werkwoord (verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
    • heengaan werkwoord (ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
  6. dejar (abandonar; dejar plantado a alguien)
    in de steek laten; verlaten
    • in de steek laten werkwoord (laat in de steek, liet in de steek, lieten in de steek, in de steek gelaten)
    • verlaten werkwoord (verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
  7. dejar (dejar bajar; dejar salir; depositar; )
    afzetten; laten uitstappen
  8. dejar (no ponerse; desistir de)
    ophouden; aflaten
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • aflaten werkwoord (laat af, liet af, lieten af, afgelaten)
  9. dejar
    afzetten; droppen; ergens loslaten
  10. dejar
    overlaten
    • overlaten werkwoord (laat over, liet over, lieten over, over gelaten)
  11. dejar (dejar libre; poner en libertad; libertar; )
    vrijlaten; in vrijheid stellen; bevrijden; losmaken; van de boeien ontdoen; loslaten
    • vrijlaten werkwoord (laat vrij, liet vrij, lieten vrij, vrijgelaten)
    • in vrijheid stellen werkwoord (stel in vrijheid, stelt in vrijheid, stelde in vrijheid, stelden in vrijheid, in vrijheid gesteld)
    • bevrijden werkwoord (bevrijd, bevrijdt, bevrijdde, bevrijdden, bevrijd)
    • losmaken werkwoord (maak los, maakt los, maakte los, maakten los, losgemaakt)
    • van de boeien ontdoen werkwoord (ontdoe van de boeien, ontdoet van de boeien, ontdeed van de boeien, ontdeden van de boeien, van de boeien ontdaan)
    • loslaten werkwoord (laat los, liet los, lieten los, losgelaten)
  12. dejar (descuidar; desatender)
    veronachtzamen; nalaten
    • veronachtzamen werkwoord (veronachtzaam, veronachtzaamt, veronachtzaamde, veronachtzaamden, veronachtzaamd)
    • nalaten werkwoord (laat na, liet na, lieten na, nagelaten)
  13. dejar (dejar correr; aflojar; arriar; dejar ir a una persona; dejar marchar a una persona)
    vrijgeven; vrijaf geven
  14. dejar (abrir; desanudar; hacer; )
    losmaken; uittrekken; uithalen; lostornen; tornen; loskrijgen
    • losmaken werkwoord (maak los, maakt los, maakte los, maakten los, losgemaakt)
    • uittrekken werkwoord (trek uit, trekt uit, trok uit, trokken uit, uitgetrokken)
    • uithalen werkwoord (haal uit, haalt uit, haalde uit, haalden uit, uitgehaald)
    • lostornen werkwoord (torn los, tornt los, tornde los, tornden los, losgetornd)
    • tornen werkwoord (torn, tornt, tornde, tornden, getornd)
    • loskrijgen werkwoord (krijg los, krijgt los, kreeg los, kregen los, losgekregen)
  15. dejar (sostener; cesar; levantar; detener; hacer respetar)
    ophouden; in de hoogte houden; hooghouden; omhooghouden
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • hooghouden werkwoord (houd hoog, houdt hoog, hield hoog, hielden hoog, hooggehouden)
    • omhooghouden werkwoord (houd omhoog, houdt omhoog, hield omhoog, hielden omhoog, omhooggehouden)

Conjugations for dejar:

presente
  1. dejo
  2. dejas
  3. deja
  4. dejamos
  5. dejáis
  6. dejan
imperfecto
  1. dejaba
  2. dejabas
  3. dejaba
  4. dejábamos
  5. dejabais
  6. dejaban
indefinido
  1. dejé
  2. dejaste
  3. dejó
  4. dejamos
  5. dejasteis
  6. dejaron
fut. de ind.
  1. dejaré
  2. dejarás
  3. dejará
  4. dejaremos
  5. dejaréis
  6. dejarán
condic.
  1. dejaría
  2. dejarías
  3. dejaría
  4. dejaríamos
  5. dejaríais
  6. dejarían
pres. de subj.
  1. que deje
  2. que dejes
  3. que deje
  4. que dejemos
  5. que dejéis
  6. que dejen
imp. de subj.
  1. que dejara
  2. que dejaras
  3. que dejara
  4. que dejáramos
  5. que dejarais
  6. que dejaran
miscelánea
  1. ¡deja!
  2. ¡dejad!
  3. ¡no dejes!
  4. ¡no dejéis!
  5. dejado
  6. dejando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

dejar [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el dejar
    afstappen; afzien van
  2. el dejar (depositar; colocar)
    neerzetten

Synoniemen voor "dejar":


Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van dejar



Remove Ads

Remove Ads