Remove Ads

Spaans

Uitgebreide vertaling voor desconectar (Spaans) in het Nederlands

desconectar:

desconectar werkwoord

  1. desconectar (desenchufar)
    uitmaken; uitschakelen; uitzetten; afzetten; uitdoen
    • uitmaken werkwoord (maak uit, maakt uit, maakte uit, maakten uit, uitgemaakt)
    • uitschakelen werkwoord (schakel uit, schakelt uit, schakelde uit, schakelden uit, uitgeschakeld)
    • uitzetten werkwoord (zet uit, zette uit, zetten uit, uitgezet)
    • afzetten werkwoord (zet af, zette af, zetten af, afgezet)
    • uitdoen werkwoord (doe uit, doet uit, deed uit, deden uit, uitgedaan)
  2. desconectar (cortar)
    afsluiten; dichtdoen
    • afsluiten werkwoord (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)
    • dichtdoen werkwoord (doe dicht, doet dicht, deed dicht, deden dicht, dichtgedaan)
  3. desconectar (desacoplar; despertar; desvincular; )
    afkoppelen
    • afkoppelen werkwoord (koppel af, koppelt af, koppelde af, koppelden af, afgekoppeld)
  4. desconectar (abrir; desanudar; hacer; )
    losmaken; uittrekken; uithalen; lostornen; tornen; loskrijgen
    • losmaken werkwoord (maak los, maakt los, maakte los, maakten los, losgemaakt)
    • uittrekken werkwoord (trek uit, trekt uit, trok uit, trokken uit, uitgetrokken)
    • uithalen werkwoord (haal uit, haalt uit, haalde uit, haalden uit, uitgehaald)
    • lostornen werkwoord (torn los, tornt los, tornde los, tornden los, losgetornd)
    • tornen werkwoord (torn, tornt, tornde, tornden, getornd)
    • loskrijgen werkwoord (krijg los, krijgt los, kreeg los, kregen los, losgekregen)
  5. desconectar (amputar; derrocar; destituir; destronar)
    amputeren; afzetten
    • amputeren werkwoord (amputeer, amputeert, amputeerde, amputeerden, geamputeerd)
    • afzetten werkwoord (zet af, zette af, zetten af, afgezet)
  6. desconectar (desembragar; separar; desacoplar)
    debrayeren; ontkoppelen
    • debrayeren werkwoord (debrayeer, debrayeert, debrayeerde, debrayeerden, gedebrayeerd)
    • ontkoppelen werkwoord (ontkoppel, ontkoppelt, ontkoppelde, ontkoppelden, ontkoppeld)
  7. desconectar (parar; apagar)
    stoppen; afzetten; stilzetten; tot stilstand brengen
  8. desconectar (destronar; joder; engañar; )
    verneuken
    • verneuken werkwoord (verneuk, verneukt, verneukte, verneukten, verneukt)
  9. desconectar (acotar; cerrar; definir; )
    begrenzen; afbakenen; afzetten; omlijnen; afpalen
    • begrenzen werkwoord (begrens, begrenst, begrenste, begrensten, begrenst)
    • afbakenen werkwoord (baken af, bakent af, bakende af, bakenden af, afgebakend)
    • afzetten werkwoord (zet af, zette af, zetten af, afgezet)
    • omlijnen werkwoord (omlijn, omlijnt, omlijnde, omlijnden, omlijnd)
    • afpalen werkwoord (paal af, paalt af, paalde af, paalden af, afgepaald)
  10. desconectar (concluir; sacar conclusiones de; deducir; )
    concluderen; opmaken uit; een gevolgtrekking maken
    • concluderen werkwoord (concludeer, concludeert, concludeerde, concludeerden, geconcludeerd)
    • opmaken uit werkwoord
    • een gevolgtrekking maken werkwoord (maak een gevolgtrekking, maakt een gevolgtrekking, maakte een gevolgtrekking, maakten een gevolgtrekking, een gevolgtrekking gemaakt)
  11. desconectar
    uitschakelen
    • uitschakelen werkwoord (schakel uit, schakelt uit, schakelde uit, schakelden uit, uitgeschakeld)
  12. desconectar

Conjugations for desconectar:

presente
  1. desconecto
  2. desconectas
  3. desconecta
  4. desconectamos
  5. desconectáis
  6. desconectan
imperfecto
  1. desconectaba
  2. desconectabas
  3. desconectaba
  4. desconectábamos
  5. desconectabais
  6. desconectaban
indefinido
  1. desconecté
  2. desconectaste
  3. desconectó
  4. desconectamos
  5. desconectasteis
  6. desconectaron
fut. de ind.
  1. desconectaré
  2. desconectarás
  3. desconectará
  4. desconectaremos
  5. desconectaréis
  6. desconectarán
condic.
  1. desconectaría
  2. desconectarías
  3. desconectaría
  4. desconectaríamos
  5. desconectaríais
  6. desconectarían
pres. de subj.
  1. que desconecte
  2. que desconectes
  3. que desconecte
  4. que desconectemos
  5. que desconectéis
  6. que desconecten
imp. de subj.
  1. que desconectara
  2. que desconectaras
  3. que desconectara
  4. que desconectáramos
  5. que desconectarais
  6. que desconectaran
miscelánea
  1. ¡desconecta!
  2. ¡desconectad!
  3. ¡no desconectes!
  4. ¡no desconectéis!
  5. desconectado
  6. desconectando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

desconectar [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el desconectar (desacoplar)
    loskoppelen

Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van desconectar



Remove Ads

Remove Ads