Remove Ads

Spaans

Uitgebreide vertaling voor efectuar (Spaans) in het Nederlands

efectuar:

efectuar werkwoord

  1. efectuar (hacer; hacer realizar; actuar; realizar)
    doen; uitvoeren; verrichten; handelen; uitrichten
    • doen werkwoord (doe, doet, deed, deden, gedaan)
    • uitvoeren werkwoord (voer uit, voert uit, voerde uit, voerden uit, uitgevoerd)
    • verrichten werkwoord (verricht, verrichtte, verrichtten, verricht)
    • handelen werkwoord (handel, handelt, handelde, handelden, gehandeld)
    • uitrichten werkwoord (richt uit, richtte uit, richtten uit, uitgericht)
  2. efectuar (terminar; finalizar; acabar de; )
    beëindigen; afsluiten; eindigen; ophouden; stoppen; een einde maken aan
    • beëindigen werkwoord (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afsluiten werkwoord (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)
    • eindigen werkwoord (eindig, eindigt, eindigde, eindigden, geëindigd)
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen werkwoord (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • een einde maken aan werkwoord (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
  3. efectuar (dar muerte a; matar; terminar; )
    doden; vermoorden; liquideren; van kant maken; doodmaken; afmaken; doodslaan; ombrengen
    • doden werkwoord (dood, doodt, doodde, doodden, gedood)
    • vermoorden werkwoord (vermoord, vermoordt, vermoordde, vermoordden, vermoord)
    • liquideren werkwoord (liquideer, liquideert, liquideerde, liquideerden, geliquideerd)
    • van kant maken werkwoord (maak van kant, maakt van kant, maakte van kant, maakten van kant, van kant gemaakt)
    • doodmaken werkwoord (maak dood, maakt dood, maakte dood, maakten dood, doodgemaakt)
    • afmaken werkwoord (maak af, maakt af, maakte af, maakten af, afgemaakt)
    • doodslaan werkwoord (sla dood, slaat dood, sloeg dood, sloegen dood, doodgeslagen)
    • ombrengen werkwoord (breng om, brengt om, bracht om, brachten om, omgebracht)
  4. efectuar (ejecutar; llevar a cabo)
    voltrekken
    • voltrekken werkwoord (voltrek, voltrekt, voltrok, voltrokken, voltrokken)
  5. efectuar (realizar; ejecutar)
    voor elkaar krijgen; bewerkstelligen; klaarspelen; bedingen; fixen; lappen
    • bewerkstelligen werkwoord (bewerkstellig, bewerkstelligt, bewerkstelligde, bewerkstelligden, bewerkstelligd)
    • klaarspelen werkwoord (speel klaar, speelt klaar, speelde klaar, speelden klaar, klaargespeeld)
    • bedingen werkwoord (beding, bedingt, bedong, bedongen, bedongen)
    • fixen werkwoord
    • lappen werkwoord (lap, lapt, lapte, lapten, gelapt)

Conjugations for efectuar:

presente
  1. efectúo
  2. efectúas
  3. efectúa
  4. efectuamos
  5. efectuáis
  6. efectúan
imperfecto
  1. efectuaba
  2. efectuabas
  3. efectuaba
  4. efectuábamos
  5. efectuabais
  6. efectuaban
indefinido
  1. efectué
  2. efectuaste
  3. efectuó
  4. efectuamos
  5. efectuasteis
  6. efectuaron
fut. de ind.
  1. efectuaré
  2. efectuarás
  3. efectuará
  4. efectuaremos
  5. efectuaréis
  6. efectuarán
condic.
  1. efectuaría
  2. efectuarías
  3. efectuaría
  4. efectuaríamos
  5. efectuaríais
  6. efectuarían
pres. de subj.
  1. que efectúe
  2. que efectúes
  3. que efectúe
  4. que efectuemos
  5. que efectuéis
  6. que efectúen
imp. de subj.
  1. que efectuara
  2. que efectuaras
  3. que efectuara
  4. que efectuáramos
  5. que efectuarais
  6. que efectuaran
miscelánea
  1. ¡efectúa!
  2. ¡efectuad!
  3. ¡no efectúes!
  4. ¡no efectúeis!
  5. efectuado
  6. efectuando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synoniemen voor "efectuar":


Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van efectuar



Remove Ads

Remove Ads