Remove Ads

Spaans

Uitgebreide vertaling voor expirar (Spaans) in het Nederlands

expirar:

expirar werkwoord

  1. expirar (pasar; transcurrir; avanzar; declinar)
    voorbijgaan; verstrijken; verlopen; vervallen; vergaan; aflopen
    • voorbijgaan werkwoord (ga voorbij, gaat voorbij, ging voorbij, gingen voorbij, voorbij gegaan)
    • verstrijken werkwoord (verstrijk, verstrijkt, verstreek, verstreken, verstreken)
    • verlopen werkwoord (verloop, verloopt, verliep, verliepen, verlopen)
    • vervallen werkwoord (verval, vervalt, verviel, vervielen, vervallen)
    • vergaan werkwoord (verga, vergaat, verging, vergingen, vergaan)
    • aflopen werkwoord (loop af, loopt af, liep af, liepen af, afgelopen)
  2. expirar (concluir; decidir; decidirse a; )
    besluiten; beslissen
    • besluiten werkwoord (besluit, besloot, besloten, besloten)
    • beslissen werkwoord (beslis, beslist, besliste, beslisten, beslist)
  3. expirar (efectuar; terminar; finalizar; )
    beëindigen; afsluiten; eindigen; ophouden; stoppen; een einde maken aan
    • beëindigen werkwoord (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afsluiten werkwoord (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)
    • eindigen werkwoord (eindig, eindigt, eindigde, eindigden, geëindigd)
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen werkwoord (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • een einde maken aan werkwoord (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)

Conjugations for expirar:

presente
  1. expiro
  2. expiras
  3. expira
  4. expiramos
  5. expiráis
  6. expiran
imperfecto
  1. expiraba
  2. expirabas
  3. expiraba
  4. expirábamos
  5. expirabais
  6. expiraban
indefinido
  1. expiré
  2. expiraste
  3. expiró
  4. expiramos
  5. expirasteis
  6. expiraron
fut. de ind.
  1. expiraré
  2. expirarás
  3. expirará
  4. expiraremos
  5. expiraréis
  6. expirarán
condic.
  1. expiraría
  2. expirarías
  3. expiraría
  4. expiraríamos
  5. expiraríais
  6. expirarían
pres. de subj.
  1. que expire
  2. que expires
  3. que expire
  4. que expiremos
  5. que expiréis
  6. que expiren
imp. de subj.
  1. que expirara
  2. que expiraras
  3. que expirara
  4. que expiráramos
  5. que expirarais
  6. que expiraran
miscelánea
  1. ¡expira!
  2. ¡expirad!
  3. ¡no expires!
  4. ¡no expiréis!
  5. expirado
  6. expirando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synoniemen voor "expirar":


Computer vertaling door derden:
Images:


Remove Ads

Remove Ads