Spaans

Uitgebreide vertaling voor florecer (Spaans) in het Nederlands

florecer:

florecer

  1. florecer

florecer werkwoord

  1. florecer (prosperar)
    bloeien; goed lopen; floreren
    • bloeien werkwoord (bloei, bloeit, bloeide, bloeiden, gebloeid)
    • goed lopen werkwoord (loop goed, loopt goed, liep goed, liepen goed, goed gelopen)
    • floreren werkwoord (floreer, floreert, floreerde, floreerden, gefloreerd)
  2. florecer (prosperar)
    tot hoogconjunctuur komen; bloeien
  3. florecer (medrar)
    gedijen; tieren; wassen
    • gedijen werkwoord (gedij, gedijt, gedijde, gedijden, gedijd)
    • tieren werkwoord (tier, tiert, tierde, tierden, getierd)
    • wassen werkwoord (was, wast, waste, wasten, gewassen)
  4. florecer (desarrollar; dearrollarse; prosperar)
    tot bloei komen; ontplooien; opfleuren; tot volle wasdom komen; opbloeien
    • tot bloei komen werkwoord (kom tot bloei, komt tot bloei, kwam tot bloei, kwamen tot bloei, tot bloei gekomen)
    • ontplooien werkwoord (ontplooi, ontplooit, ontplooide, ontplooiden, ontplooid)
    • opfleuren werkwoord (fleur op, fleurt op, fleurde op, fleurden op, opgefleurd)
    • opbloeien werkwoord (bloei op, bloeit op, bloeide op, bloeiden op, opgebloeid)
  5. florecer (renovar; levantar; rehabilitar; )
    hernieuwen; renoveren; herstellen; vernieuwen; verbeteren
    • hernieuwen werkwoord (hernieuw, hernieuwt, hernieuwde, hernieuwden, hernieuwd)
    • renoveren werkwoord (renoveer, renoveert, renoveerde, renoveerden, gerenoveerd)
    • herstellen werkwoord (herstel, herstelt, herstelde, herstelden, hersteld)
    • vernieuwen werkwoord (vernieuw, vernieuwt, vernieuwde, vernieuwden, vernieuwd)
    • verbeteren werkwoord (verbeter, verbetert, verbeterde, verbeterden, verbeterd)

Conjugations for florecer:

presente
  1. florezco
  2. floreces
  3. florece
  4. florecemos
  5. florecéis
  6. florecen
imperfecto
  1. florecía
  2. florecías
  3. florecía
  4. florecíamos
  5. florecíais
  6. florecían
indefinido
  1. florecí
  2. floreciste
  3. floreció
  4. florecimos
  5. florecisteis
  6. florecieron
fut. de ind.
  1. floreceré
  2. florecerás
  3. florecerá
  4. floreceremos
  5. floreceréis
  6. florecerán
condic.
  1. florecería
  2. florecerías
  3. florecería
  4. floreceríamos
  5. floreceríais
  6. florecerían
pres. de subj.
  1. que florezca
  2. que florezcas
  3. que florezca
  4. que florezcamos
  5. que florezcáis
  6. que florezcan
imp. de subj.
  1. que floreciera
  2. que florecieras
  3. que floreciera
  4. que floreciéramos
  5. que florecierais
  6. que florecieran
miscelánea
  1. ¡florece!
  2. ¡floreced!
  3. ¡no florezcas!
  4. ¡no florezcáis!
  5. florecido
  6. floreciendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor florecer:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
tot bloei komen crecimiento; floración; período de floración
verbeteren mejorar
wassen hincharse; limpieza
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bloeien florecer; prosperar
floreren florecer; prosperar
gedijen florecer; medrar aumentar; crecer; engrandecer; subir; surgir
goed lopen florecer; prosperar
hernieuwen actualizar; alzar; cambiar; florecer; innovar; levantar; modernizar; prosperar; reformar; rehabilitar; renovar; reorganizar; reparar; restaurar; sanear actualizar; hacer de nuevo; innovar; modernizar; modificar; reconocer; reformar; refrescar; rehabilitar; rehacer; renovar; reorganizar; repetir
herstellen actualizar; alzar; cambiar; florecer; innovar; levantar; modernizar; prosperar; reformar; rehabilitar; renovar; reorganizar; reparar; restaurar; sanear ajustar; arreglar; corregir; despachar; fijar; mejorar; modificar; perfeccionar; poner en orden; reajustar; rectificar; recuperar; rehabilitar; remendar; renovar; reparar; reponerse; restablecer; restablecerse; restaurar
ontplooien dearrollarse; desarrollar; florecer; prosperar desarrollar; desarrollarse; elaborar; evolucionar
opbloeien dearrollarse; desarrollar; florecer; prosperar desarrollarse; eclosionar; nacer
opfleuren dearrollarse; desarrollar; florecer; prosperar alegrar; animar; añadirse; distraer; refrescar
renoveren actualizar; alzar; cambiar; florecer; innovar; levantar; modernizar; prosperar; reformar; rehabilitar; renovar; reorganizar; reparar; restaurar; sanear actualizar; adecentar; arreglar; corregir; mejorar; modernizar; ordenar; perfeccionar; rectificar; rehabilitar; remendar; renovar; reparar; restaurar; sanar
tieren florecer; medrar agredir de palabra; bramar; despotricar; despotricar contra; lanzar blasfemias; rabiar; soltar palabrotas; vociferar
tot bloei komen dearrollarse; desarrollar; florecer; prosperar
tot hoogconjunctuur komen florecer; prosperar
tot volle wasdom komen dearrollarse; desarrollar; florecer; prosperar
verbeteren actualizar; alzar; cambiar; florecer; innovar; levantar; modernizar; prosperar; reformar; rehabilitar; renovar; reorganizar; reparar; restaurar; sanear corregir; hacer mejor; mejorar; perfeccionar; poner derecho; rectificar; rehabilitar; renovar; reparar
vernieuwen actualizar; alzar; cambiar; florecer; innovar; levantar; modernizar; prosperar; reformar; rehabilitar; renovar; reorganizar; reparar; restaurar; sanear actualizar; ajustar; arreglar; cambiar; cambiar por; corregir; poner en orden; reemplazar; rehabilitar; renovar; reparar; reponer; reponerse; restablecer; restablecerse; restaurar; sustituir
wassen florecer; medrar lavar
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
wassen de cera
Not SpecifiedVerwante vertalingenAndere vertalingen
herstellen restauración
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
bloeien florecer

Synoniemen voor "florecer":


Wiktionary: florecer

florecer
verb
  1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
  2. intr|nld tot volle ontplooiing gekomen zijn

Cross Translation:
FromToVia
florecer ontluiken bud — to form buds
florecer bloeien burgeon — of plants, to bloom, bud
florecer bloeien; openbloeien flower — to put forth blooms
florecer bloeien; floreren fleurirproduire des fleurs, se couvrir de fleurs, ou être en fleurs.