Remove Ads

Spaans

Uitgebreide vertaling voor magro (Spaans) in het Nederlands

magro:

magro bijvoeglijk naamwoord

  1. magro (demacrado; huesudo; macilento; )
    uitgeteerd; uitgemergeld; broodmager
  2. magro (delgaducho; flaco; pequeña; )
    mager; dun; geen vet op de botten hebbende; schraal; iel; schriel
  3. magro (delgado; pobre; flaco; )
    mager; pover; schraal; karig; berooid
    • mager bijvoeglijk naamwoord
    • pover bijvoeglijk naamwoord
    • schraal bijvoeglijk naamwoord
    • karig bijvoeglijk naamwoord
    • berooid bijvoeglijk naamwoord
  4. magro (esbelto)
    mager; rank; dun van gestalte
  5. magro (esbelto; delgado; tierno; )
    slank; dun; tenger; fijngebouwd; fijn; rank
    • slank bijvoeglijk naamwoord
    • dun bijvoeglijk naamwoord
    • tenger bijvoeglijk naamwoord
    • fijngebouwd bijvoeglijk naamwoord
    • fijn bijvoeglijk naamwoord
    • rank bijvoeglijk naamwoord
  6. magro (desgreñado; flaco; puntiagudo)
    lang en dun; piekerig; spinachtig; sprietig
  7. magro (pobre; mezquino; deplorable; abominable; insignificante)
    schraal; pover; mager; schamel; armzalig; karig
  8. magro (flaco; delgaducho; puntiagudo; desgreñado)
    mager; lang en dun; spichtig
  9. magro (exiguo; poco; pobre; )
    weinig; luttel

Verwante woorden van "magro":

  • magra, magras, magros

Computer vertaling door derden:
Images:


Remove Ads

Remove Ads