Remove Ads

Spaans

Uitgebreide vertaling voor pago (Spaans) in het Nederlands

pago:

pago [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el pago (desembolso)
    de betaling
    • betaling [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
  2. el pago (desembolso; liquidar)
    betalen; het dokken; voldoen
    • betalen [znw.] zelfstandig naamwoord
    • dokken [het ~] zelfstandig naamwoord
    • voldoen [znw.] zelfstandig naamwoord
  3. el pago (subsidio de auxilio social; subsidio de desempleo; subsidio; )
    de uitkering
  4. el pago (remuneración; recompensa; gajes; )
    de vergoeding; de beloning; het loon
    • vergoeding [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • beloning [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • loon [het ~] zelfstandig naamwoord
  5. el pago (subsidio de auxilio social; ayuda; asistencia; )
    sociale bijstand
  6. el pago (sueldo; salario)
    het salaris; het loon; de bezoldiging; de gage; het inkomen
    • salaris [het ~] zelfstandig naamwoord
    • loon [het ~] zelfstandig naamwoord
    • bezoldiging [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • gage [de ~] zelfstandig naamwoord
    • inkomen [het ~] zelfstandig naamwoord
  7. el pago (rescate; amortización; liquidación; suma de rescate)
    de inlossing
  8. el pago (finiquito; recibo; vale de caja; boleta de caja)
    de kwijting
    • kwijting [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
  9. el pago (asalariamiento; salario; sueldo; paga; honorario)
    de salariëring
  10. el pago (seguro de desempleo; respaldo; ayuda; )
    de werkeloosheidsuitkering

Verwante woorden van "pago":

  • pagos

Synoniemen voor "pago":


pago vorm van pagar:

pagar werkwoord

  1. pagar
    betalen; voldoen
    • betalen werkwoord (betaal, betaalt, betaalde, betaalden, betaald)
    • voldoen werkwoord (voldoe, voldoet, voldeed, voldeden, voldaan)
  2. pagar (atender; retribuir; recompensar; )
    betalen; dokken; afrekenen
    • betalen werkwoord (betaal, betaalt, betaalde, betaalden, betaald)
    • dokken werkwoord (dok, dokt, dokte, dokten, gedokt)
    • afrekenen werkwoord (reken af, rekent af, rekende af, rekenden af, afgerekend)
  3. pagar (gastar en)
    besteden; uitgeven; spenderen
    • besteden werkwoord (besteed, besteedt, besteedde, besteedden, besteed)
    • uitgeven werkwoord
    • spenderen werkwoord (spendeer, spendeert, spendeerde, spendeerden, gespendeerd)
  4. pagar (ajustar cuentas; saldar; descomponer)
    verrekenen; afrekenen; afbetalen; vereffenen
    • verrekenen werkwoord (verreken, verrekent, verrekende, verrekenden, verrekend)
    • afrekenen werkwoord (reken af, rekent af, rekende af, rekenden af, afgerekend)
    • afbetalen werkwoord (betaal af, betaalt af, betaalde af, betaalden af, afbetaald)
    • vereffenen werkwoord (vereffen, vereffent, vereffende, vereffenden, vereffend)
  5. pagar (costear)
    bekostigen
    • bekostigen werkwoord (bekostig, bekostigt, bekostigde, bekostigden, bekostigd)
  6. pagar (abonar honorarios; gratificar; recompensar; )
    honoreren; belonen; betalen; bezoldigen; salariëren
    • honoreren werkwoord (honoreer, honoreert, honoreerde, honoreerden, gehonoreerd)
    • belonen werkwoord (beloon, beloont, beloonde, beloonden, beloond)
    • betalen werkwoord (betaal, betaalt, betaalde, betaalden, betaald)
    • bezoldigen werkwoord (bezoldig, bezoldigt, bezoldigde, bezoldigden, bezoldigd)
    • salariëren werkwoord (salariëer, salariëert, salariëerde, salariëerden, gesalariëerd)
  7. pagar (retribuir; atender; recompensar; remunerar; gratificar)
    lonen
    • lonen werkwoord (loon, loont, loonde, loonden, geloond)
  8. pagar (abalanzarse; escanchar; regar; )
    schenken; gieten; uitstorten
    • schenken werkwoord (schenk, schenkt, schonk, schonken, geschonken)
    • gieten werkwoord (giet, giette, gietten, gegoten)
    • uitstorten werkwoord (stort uit, stortte uit, stortten uit, uitgestort)
  9. pagar (transferir; pasar; remitir; )
    geld overmaken; overschrijven; overboeken; overzenden
    • geld overmaken werkwoord
    • overschrijven werkwoord (overschrijf, overschrijft, overschreef, overschreven, overschreven)
    • overboeken werkwoord (overboek, overboekt, overboekte, overboekten, overboekt)
    • overzenden werkwoord (zend over, zendt over, zond over, zonden over, overgezonden)
  10. pagar (colocar; ubicar; tender; )
    neerleggen; onderuit halen
  11. pagar (entregar; desembolsar; hacer efectivo)
    uitbetalen
    • uitbetalen werkwoord (betaal uit, betaalt uit, betaalde uit, betaalden uit, uitbetaald)
  12. pagar (saldar; arreglar)
    voldoen; vereffenen; betalen
    • voldoen werkwoord (voldoe, voldoet, voldeed, voldeden, voldaan)
    • vereffenen werkwoord (vereffen, vereffent, vereffende, vereffenden, vereffend)
    • betalen werkwoord (betaal, betaalt, betaalde, betaalden, betaald)
  13. pagar (chocar; aflojar; desembolsar)
    ophoesten; voor de dag komen met
  14. pagar (expiar; hacer penitencia por)
    boeten
    • boeten werkwoord (boet, boette, boetten, geboet)
  15. pagar (depositar; transcribir; ingresar)
    storten; deponeren
    • storten werkwoord (stort, stortte, stortten, gestort)
    • deponeren werkwoord (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
  16. pagar (repartir; encuestar; ceder; )
    toewijzen; toekennen; gunnen; toebedelen; iets toekennen
    • toewijzen werkwoord (wijs toe, wijst toe, wees toe, wezen toe, toegewezen)
    • toekennen werkwoord (ken toe, kent toe, kende toe, kenden toe, toegekend)
    • gunnen werkwoord (gun, gunt, gunde, gunden, gegund)
    • toebedelen werkwoord (bedeel toe, bedeelt toe, bedeelde toe, bedeelden toe, toebedeeld)
    • iets toekennen werkwoord
  17. pagar (dar; proporcionar; hacer efectivo)
    uitkeren
    • uitkeren werkwoord (keer uit, keert uit, keerde uit, keerden uit, uitgekeerd)

Conjugations for pagar:

presente
  1. pago
  2. pagas
  3. paga
  4. pagamos
  5. pagáis
  6. pagan
imperfecto
  1. pagaba
  2. pagabas
  3. pagaba
  4. pagábamos
  5. pagabais
  6. pagaban
indefinido
  1. pagué
  2. pagaste
  3. pagó
  4. pagamos
  5. pagasteis
  6. pagaron
fut. de ind.
  1. pagaré
  2. pagarás
  3. pagará
  4. pagaremos
  5. pagaréis
  6. pagarán
condic.
  1. pagaría
  2. pagarías
  3. pagaría
  4. pagaríamos
  5. pagaríais
  6. pagarían
pres. de subj.
  1. que pague
  2. que pagues
  3. que pague
  4. que paguemos
  5. que paguéis
  6. que paguen
imp. de subj.
  1. que pagara
  2. que pagaras
  3. que pagara
  4. que pagáramos
  5. que pagarais
  6. que pagaran
miscelánea
  1. ¡paga!
  2. ¡pagad!
  3. ¡no pagues!
  4. ¡no paguéis!
  5. pagado
  6. pagando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synoniemen voor "pagar":


Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van pago



Remove Ads

Remove Ads