Frans

Uitgebreide vertaling voor mettre (Frans) in het Nederlands

mettre:

mettre werkwoord (mets, met, mettons, mettez, )

  1. mettre (déposer; placer; poser; )
    leggen; plaatsen; zetten; deponeren; neerleggen; stationeren; neerzetten
    • leggen werkwoord (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • zetten werkwoord (zet, zette, zetten, gezet)
    • deponeren werkwoord (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
    • neerleggen werkwoord (leg neer, legt neer, legde neer, legden neer, neergelegd)
    • stationeren werkwoord (stationeer, stationeert, stationeerde, stationeerden, gestationeerd)
    • neerzetten werkwoord (zet neer, zette neer, zetten neer, neergezet)
  2. mettre (habiller; se vêtir; se couvrir; s'habiller)
    aankleden; aantrekken; aandoen
    • aankleden werkwoord (kleed aan, kleedt aan, kleedde aan, kleedden aan, aangekleed)
    • aantrekken werkwoord (trek aan, trekt aan, trok aan, trokken aan, aangetrokken)
    • aandoen werkwoord (doe aan, doet aan, deed aan, deden aan, aangedaan)
  3. mettre (poser; placer; déposer; ranger; installer)
    leggen; zetten; plaatsen
    • leggen werkwoord (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • zetten werkwoord (zet, zette, zetten, gezet)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
  4. mettre (poser; placer; déposer; ranger; installer)
    zetten; plaatsen
    • zetten werkwoord (zet, zette, zetten, gezet)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
  5. mettre (poser; déposer; placer)
    leggen; deponeren
    • leggen werkwoord (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • deponeren werkwoord (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
  6. mettre (poser qch; préserver; garder; )
    leggen; plaatsen; neerleggen; deponeren; wegleggen
    • leggen werkwoord (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • neerleggen werkwoord (leg neer, legt neer, legde neer, legden neer, neergelegd)
    • deponeren werkwoord (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
    • wegleggen werkwoord (leg weg, legt weg, legde weg, legden weg, weggelegd)
  7. mettre (asseoir; placer; insérer; )
    plaatsen; zetten; bijzetten; neerzetten
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • zetten werkwoord (zet, zette, zetten, gezet)
    • bijzetten werkwoord (zet bij, zette bij, zetten bij, bijgezet)
    • neerzetten werkwoord (zet neer, zette neer, zetten neer, neergezet)
  8. mettre (installer; construire; dresser)
    installeren; aanleggen; monteren en aansluiten; plaatsen; aanbrengen
    • installeren werkwoord (installeer, installeert, installeerde, installeerden, geïnstalleerd)
    • aanleggen werkwoord (leg aan, legt aan, legde aan, legden aan, aangelegd)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • aanbrengen werkwoord (breng aan, brengt aan, bracht aan, brachten aan, aangebracht)
  9. mettre (causer; provoquer; commettre; )
    veroorzaken; aandoen; aanstichten; aanrichten
    • veroorzaken werkwoord (veroorzaak, veroorzaakt, veroorzaakte, veroorzaakten, veroorzaakt)
    • aandoen werkwoord (doe aan, doet aan, deed aan, deden aan, aangedaan)
    • aanstichten werkwoord (sticht aan, stichtte aan, stichtten aan, aangesticht)
    • aanrichten werkwoord (richt aan, richtte aan, richtten aan, aangericht)
  10. mettre (coucher; déposer; poser; )
    neerleggen; onderuit halen
  11. mettre (attacher; fixer; lier; ficeler; mettre à l'attache)
    vastleggen; bevestigen; vastmaken; verzekeren; verbinden; vastzetten; vastbinden
    • vastleggen werkwoord (leg vast, legt vast, legde vast, legden vast, vastgelegd)
    • bevestigen werkwoord (bevestig, bevestigt, bevestigde, bevestigden, bevestigd)
    • vastmaken werkwoord (maak vast, maakt vast, maakte vast, maakten vast, vastgemaakt)
    • verzekeren werkwoord (verzeker, verzekert, verzekerde, verzekerden, verzekerd)
    • verbinden werkwoord (verbind, verbindt, verbond, verbonden, verbonden)
    • vastzetten werkwoord (zet vast, zette vast, zetten vast, vastgezet)
    • vastbinden werkwoord (bind vast, bindt vast, bond vast, bonden vast, vastgebonden)
  12. mettre (fermer en tirant; tirer; revêtir; )
    aantrekken; dichttrekken
    • aantrekken werkwoord (trek aan, trekt aan, trok aan, trokken aan, aangetrokken)
    • dichttrekken werkwoord (trek dicht, trekt dicht, trok dicht, trokken dicht, dichtgetrokken)
  13. mettre
    omdoen
    • omdoen werkwoord (doe om, doet om, deed om, deden om, omgedaan)
  14. mettre (servir à table; servir; prendre soin de; )
    bedienen; opdissen; voorzetten; opdienen; aan tafel bedienen
    • bedienen werkwoord (bedien, bedient, bediende, bedienden, bediend)
    • opdissen werkwoord (dis op, dist op, diste op, disten op, opgedist)
    • voorzetten werkwoord (zet voor, zette voor, zetten voor, voorgezet)
    • opdienen werkwoord (dien op, dient op, diende op, dienden op, opgediend)
    • aan tafel bedienen werkwoord (bedien aan tafel, bedient aan tafel, bediende aan tafel, bedienden aan tafel, aan tafel bediend)
  15. mettre (poser; déposer)
  16. mettre (poser doucement; poser; déposer; )
    neervlijen
    • neervlijen werkwoord (vlij neer, vlijt neer, vleed neer, vleden neer, neergevlijd)
  17. mettre (stationner; placer; poster; déposer; poser)
    plaatsen; stationeren; posten; posteren
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • stationeren werkwoord (stationeer, stationeert, stationeerde, stationeerden, gestationeerd)
    • posten werkwoord (post, postte, postten, gepost)
    • posteren werkwoord (posteer, posteert, posteerde, posteerden, geposteerd)
  18. mettre (nouer)
    voordoen; voorbinden
    • voordoen werkwoord (doe voor, doet voor, deed voor, deden voor, voorgedaan)
    • voorbinden werkwoord (bind voor, bindt voor, bond voor, bonden voor, voorgebonden)

Conjugations for mettre:

Présent
  1. mets
  2. mets
  3. met
  4. mettons
  5. mettez
  6. mettent
imparfait
  1. mettais
  2. mettais
  3. mettait
  4. mettions
  5. mettiez
  6. mettaient
passé simple
  1. mis
  2. mis
  3. mit
  4. mîmes
  5. mîtes
  6. mirent
futur simple
  1. mettrai
  2. mettras
  3. mettra
  4. mettrons
  5. mettrez
  6. mettront
subjonctif présent
  1. que je mette
  2. que tu mettes
  3. qu'il mette
  4. que nous mettions
  5. que vous mettiez
  6. qu'ils mettent
conditionnel présent
  1. mettrais
  2. mettrais
  3. mettrait
  4. mettrions
  5. mettriez
  6. mettraient
passé composé
  1. ai mis
  2. as mis
  3. a mis
  4. avons mis
  5. avez mis
  6. ont mis
divers
  1. mets!
  2. mettez!
  3. mettons!
  4. mis
  5. mettant
1. je, 2. tu, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Vertaal Matrix voor mettre:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanbrengen dénonciation; rapportage
aandoen habillement
aankleden habillement
aanleggen application; construction; mise
aanrichten organiser; provocer
aantrekken attrait; charme; habillement; resserrement; serrage; séduction
leggen arrêter le travail; commencer une grève
neerleggen fait de flinguer; fait de tirer; fait de tuer
neerzetten positionnement
opdienen service; service du diner
opdissen service d'un plat
posten envoi; expédition; livraison par la poste; livraison par poste
vastmaken ajuster; fixer
vastzetten attache; fixation; immobilisation
verbinden jonction; union
voordoen acte de montrer; démonstration; représentation
voorzetten affichage; apposition
zetten composition; travail typographique
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aan tafel bedienen fournir; mettre; mettre en avant; offrir; prendre soin de; présenter; s'occuper de; se charger de; servir; servir à table
aanbrengen construire; dresser; installer; mettre dénoncer; dénoncer quelqu'un; trahir
aandoen causer; commettre; faire; habiller; inciter à; mettre; occasionner; provoquer; s'habiller; se couvrir; se vêtir allumer; brancher sur; causer; enclencher; faire; faire du mal; faire fonctionner; faire marcher; mettre en circuit; mettre en marche; porter; établir le contact
aankleden habiller; mettre; s'habiller; se couvrir; se vêtir agrémenter; décorer; embellir; enjoliver; orner
aanleggen construire; dresser; installer; mettre aborder; accoster; amarrer
aanrichten causer; commettre; faire; inciter à; mettre; occasionner; provoquer
aanstichten causer; commettre; faire; inciter à; mettre; occasionner; provoquer
aantrekken boucler; fermer en tirant; habiller; mettre; passer; revêtir; s'habiller; sangler; se couvrir; se vêtir; serrer; tirer admettre; attirer; embaucher; engager; enrôler; nommer; prendre en service; recruter
bedienen fournir; mettre; mettre en avant; offrir; prendre soin de; présenter; s'occuper de; se charger de; servir; servir à table s'occuper de; servir
bevestigen attacher; ficeler; fixer; lier; mettre; mettre à l'attache adhérer à; agrafer; approuver; assujettir; attacher; attacher à qc; boutonner; caler; coller; confirmer; consentir; entériner; fixer; installer; lier; marquer; nouer; parapher; poser; ratifier; rattacher; renforcer; sceller; souscire à; timbrer; valider
bijzetten appliquer; asseoir; garer; installer; insérer; mettre; placer; poser; signaler; stationner
deponeren coucher; déposer; garder; installer; mettre; placer; planter; poser; poser qch; préserver; ranger; situer; stationner conserver; déposer; emmagasiner; entreposer; placer; stocker; transcrire; transférer; verser; virer
dichttrekken boucler; fermer en tirant; mettre; passer; revêtir; sangler; serrer; tirer
iets neerleggen déposer; mettre; poser
installeren construire; dresser; installer; mettre arranger; désigner; installer; nommer
leggen coucher; déposer; garder; installer; mettre; placer; planter; poser; poser qch; préserver; ranger; situer; stationner
monteren en aansluiten construire; dresser; installer; mettre
neerleggen coucher; déposer; faire asseoir; fixer; garder; installer; insérer; mettre; placer; planter; poser; poser qch; préserver; ranger; situer; stationner déposer
neervlijen déposer; faucher; mettre; poser; poser doucement; s'allonger; s'étendre
neerzetten appliquer; asseoir; coucher; déposer; garer; installer; insérer; mettre; placer; planter; poser; signaler; situer; stationner
omdoen mettre
onderuit halen coucher; déposer; faire asseoir; fixer; installer; insérer; mettre; placer; poser
opdienen fournir; mettre; mettre en avant; offrir; prendre soin de; présenter; s'occuper de; se charger de; servir; servir à table
opdissen fournir; mettre; mettre en avant; offrir; prendre soin de; présenter; s'occuper de; se charger de; servir; servir à table se servir à table
plaatsen appliquer; asseoir; construire; coucher; dresser; déposer; garder; garer; installer; insérer; mettre; placer; planter; poser; poser qch; poster; préserver; ranger; signaler; situer; stationner abriter quelqu'un; avoir lieu; découvrir; déterminer; localiser; loger; placer; se dérouler; se situer; trouver
posten déposer; mettre; placer; poser; poster; stationner envoyer; envoyer à; expédier; expédier à; mettre à la poste; poster; publier; publier sur; publier sur Facebook; renvoyer; transmettre; émettre
posteren déposer; mettre; placer; poser; poster; stationner
stationeren coucher; déposer; mettre; placer; planter; poser; poster; situer; stationner
vastbinden attacher; ficeler; fixer; lier; mettre; mettre à l'attache aborder; accoster; aiguilleter; amarrer; attacher; bâillonner; ficeler; fixer; garrotter; lier; ligoter; nouer; relier
vastleggen attacher; ficeler; fixer; lier; mettre; mettre à l'attache aborder; accoster; amarrer; annoter; attacher; consigner; contracter; déposer de l'argent; effectuer des réservations; enchaîner; enregister; indexer; inscrire; lier; mettre à l'attache; noter; register; signer; signer un contrat avec
vastmaken attacher; ficeler; fixer; lier; mettre; mettre à l'attache aborder; accoster; agrafer; amarrer; attacher; attacher à qc; bâillonner; coller; ficeler; fixer; garrotter; installer; lier; ligoter; marquer; nouer; parapher; poser; relier; renforcer; timbrer; épingler
vastzetten attacher; ficeler; fixer; lier; mettre; mettre à l'attache agrafer; attacher; attacher à qc; coller; conserver; déposer sur un compte bancaire; détenir; emprisonner; enfermer; fixer; garder; immobiliser; installer; lier; marquer; nouer; parapher; poser; renforcer; retenir; tenir; timbrer
verbinden attacher; ficeler; fixer; lier; mettre; mettre à l'attache accoupler; adjoindre; assembler; associer; attacher; attacher ensemble; boutonner; connecter; enchaîner; joindre; lier; lier ensemble; nouer; rattacher à; relier; réunir en accouplant; se connecter; unir
veroorzaken causer; commettre; faire; inciter à; mettre; occasionner; provoquer amener à; causer; donner lieu à; faire; inciter a; inciter quelqu'un à; inciter à; occasionner; porter; provoquer; susciter; être l'instigateur de
verzekeren attacher; ficeler; fixer; lier; mettre; mettre à l'attache assurer; certifier; garantir; rassurer; ratifier; répondre pour; se porter caution pour; se porter garant; être garant de
voorbinden mettre; nouer
voordoen mettre; nouer apparaître; arriver; montrer; paraître; se passer; se produire; survenir
voorzetten fournir; mettre; mettre en avant; offrir; prendre soin de; présenter; s'occuper de; se charger de; servir; servir à table
wegleggen déposer; garder; installer; mettre; placer; poser qch; préserver; ranger
zetten appliquer; asseoir; coucher; déposer; garer; installer; insérer; mettre; placer; planter; poser; ranger; signaler; situer; stationner

Synoniemen voor "mettre":


Wiktionary: mettre

mettre mettre
verb
  1. doen liggen
  2. iets schikken

Cross Translation:
FromToVia
mettre uitdossen; zich; aantrekken don — put on clothes
mettre leggen lay — to place something down in a position of rest
mettre plaatsen place — to put in a specific location
mettre spelen; afspelen play — use a device to hear (a recording)
mettre zetten; plaatsen; leggen; doen; stellen put — to place something somewhere
mettre aantrekken; aandoen put on — to don clothing
mettre dekken set — to arrange with dishes and cutlery
mettre vervangen; substitueren substitute — to use in place of something else, with the same function
mettre aantrekken anziehen — ein bestimmtes Kleidungsstück anlegen
mettre accoord; eens; akkoord einig — einer, derselben, der gleichen Meinung, übereinstimmend, einvernehmlich
mettre neuken fickenvulgär, transitiv, intransitiv: den Geschlechtsakt vollziehen, koitieren
mettre geven gebenhineintun

mettre vorm van émettre:

émettre werkwoord (émets, émet, émettons, émettez, )

  1. émettre (radiodiffuser; diffuser; émaner)
    uitstralen; zenden; uitzenden; rondstralen
    • uitstralen werkwoord (straal uit, straalt uit, straalde uit, straalden uit, uitgestraald)
    • zenden werkwoord (zend, zendt, zond, zonden, gezonden)
    • uitzenden werkwoord (zend uit, zendt uit, zond uit, zonden uit, uitgezonden)
    • rondstralen werkwoord
  2. émettre (publier; annoncer; divulguer; )
    publiceren; uitbrengen; openbaren
    • publiceren werkwoord (publiceer, publiceert, publiceerde, publiceerden, gepubliceerd)
    • uitbrengen werkwoord (breng uit, brengt uit, bracht uit, brachten uit, uitgebracht)
    • openbaren werkwoord (openbaar, openbaart, openbaarde, openbaarden, geopenbaard)
  3. émettre (expédier à; transmettre; envoyer à)
    zenden; opsturen; toezenden; iem. iets sturen; posten; overmaken; doen toekomen
    • zenden werkwoord (zend, zendt, zond, zonden, gezonden)
    • opsturen werkwoord (stuur op, stuurt op, stuurde op, stuurden op, opgestuurd)
    • toezenden werkwoord (zend toe, zendt toe, zond toe, zonden toe, toegezonden)
    • iem. iets sturen werkwoord
    • posten werkwoord (post, postte, postten, gepost)
    • overmaken werkwoord (maak over, maakt over, maakte over, maakten over, overgemaakt)
    • doen toekomen werkwoord
  4. émettre (envoyer; expédier; remettre; )
    zenden; versturen
    • zenden werkwoord (zend, zendt, zond, zonden, gezonden)
    • versturen werkwoord (verstuur, verstuurt, verstuurde, verstuurden, verstuurd)
  5. émettre (diffuser)
    emitteren
    • emitteren werkwoord (emitteer, emitteert, emitteerde, emitteerden, geëmitteer)
  6. émettre (diffuser; radiodiffuser)
    programma uitzenden; omroepen

Conjugations for émettre:

Présent
  1. émets
  2. émets
  3. émet
  4. émettons
  5. émettez
  6. émettent
imparfait
  1. émettais
  2. émettais
  3. émettait
  4. émettions
  5. émettiez
  6. émettaient
passé simple
  1. émis
  2. émis
  3. émit
  4. émîmes
  5. émîtes
  6. émirent
futur simple
  1. émettrai
  2. émettras
  3. émettra
  4. émettrons
  5. émettrez
  6. émettront
subjonctif présent
  1. que j'émette
  2. que tu émettes
  3. qu'il émette
  4. que nous émettions
  5. que vous émettiez
  6. qu'ils émettent
conditionnel présent
  1. émettrais
  2. émettrais
  3. émettrait
  4. émettrions
  5. émettriez
  6. émettraient
passé composé
  1. ai émis
  2. as émis
  3. a émis
  4. avons émis
  5. avez émis
  6. ont émis
divers
  1. émets!
  2. émettez!
  3. émettons!
  4. émis
  5. émettant
1. je, 2. tu, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Vertaal Matrix voor émettre:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
posten envoi; expédition; livraison par la poste; livraison par poste
publiceren publication
versturen envoi; expédition; livraison par poste
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
doen toekomen envoyer à; expédier à; transmettre; émettre
emitteren diffuser; émettre
iem. iets sturen envoyer à; expédier à; transmettre; émettre
omroepen diffuser; radiodiffuser; émettre annoncer; faire l'appel des noms; proclamer; présenter les nouvelles
openbaren annoncer; communiquer; divulguer; montrer; proclamer; publier; rendre public; émettre s'exprimer; se dévoiler; se manifester; se révéler
opsturen envoyer à; expédier à; transmettre; émettre envoyer; expédier; mettre à la poste; poster; renvoyer
overmaken envoyer à; expédier à; transmettre; émettre
posten envoyer à; expédier à; transmettre; émettre déposer; envoyer; expédier; mettre; mettre à la poste; placer; poser; poster; publier; publier sur; publier sur Facebook; renvoyer; stationner
programma uitzenden diffuser; radiodiffuser; émettre
publiceren annoncer; communiquer; divulguer; montrer; proclamer; publier; rendre public; émettre publier
rondstralen diffuser; radiodiffuser; émaner; émettre
toezenden envoyer à; expédier à; transmettre; émettre envoyer; expédier; mettre à la poste; poster; renvoyer
uitbrengen annoncer; communiquer; divulguer; montrer; proclamer; publier; rendre public; émettre dénoncer; dénoncer quelqu'un; lancer; publier; trahir; éditer
uitstralen diffuser; radiodiffuser; émaner; émettre
uitzenden diffuser; radiodiffuser; émaner; émettre diffuser; disperser; déboutonner; dégager; détacher; dévisser; embaucher; propager; répandre; épandre; éparpiller; étaler; étendre
versturen déposer; envoyer; expédier; fournir; livrer; porter; remettre; émettre
zenden diffuser; déposer; envoyer; envoyer à; expédier; expédier à; fournir; livrer; porter; radiodiffuser; remettre; transmettre; émaner; émettre conduire; tenir le volant; être au volant

Synoniemen voor "émettre":


Wiktionary: émettre


Cross Translation:
FromToVia
émettre uitdelen; uitgeven; verdelen dispense — To issue, distribute, or put out
émettre afgeven; uitzenden emit — to send out or give off
émettre uiten utter — use the voice
émettre emitteren emittierenBörse: ein Wertpapier in Umlauf bringen

Verwante vertalingen van mettre