Remove Ads

Frans

Uitgebreide vertaling voor contrôle (Frans) in het Nederlands

contrôle:

contrôle [le ~] zelfstandig naamwoord

  1. le contrôle (gestion; surveillance; supervision; garde)
    het beheer; het toezicht; de controle; de bewaking; de zeggenschap; de hoede; de zorg; de bescherming
    • beheer [het ~] zelfstandig naamwoord
    • toezicht [het ~] zelfstandig naamwoord
    • controle [de ~] zelfstandig naamwoord
    • bewaking [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • zeggenschap [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • hoede [de ~] zelfstandig naamwoord
    • zorg [de ~] zelfstandig naamwoord
    • bescherming [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
  2. le contrôle (surveillance; supervision; inspection; )
    de bewaking; de controle; de surveillance; de hoede
  3. le contrôle (test; examen; vérification; )
    de test; de proef
    • test [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • proef [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  4. le contrôle (inspection)
    de controle; de inspectie
  5. le contrôle (inspection)
    de keuring
    • keuring [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
  6. le contrôle (niveau de capacité; maîtrise)
    de beheersing; mate van bekwaamheid
  7. le contrôle (maîtrise de soi; maîtrise; contrôle de soi)
    de controle; de zelfbeheersing; de beheersing
  8. le contrôle
    controleren
  9. le contrôle
  10. le contrôle
    de quarantaine
  11. le contrôle (contrainte)
    het bedwang
    • bedwang [het ~] zelfstandig naamwoord
  12. le contrôle (chambre de contrôle)
    keurkamer
  13. le contrôle (validation)

contrôle

  1. contrôle
    de besturing

Synoniemen voor "contrôle":


contrôle vorm van contrôler:

contrôler werkwoord

  1. contrôler (vérifier; réviser; revoir; )
    controleren; nakijken; nagaan
    • controleren werkwoord (controleer, controleert, controleerde, controleerden, gecontroleerd)
    • nakijken werkwoord (kijk na, kijkt na, keek na, keken na, nagekeken)
    • nagaan werkwoord (ga na, gaat na, ging na, gingen na, nagegaan)
  2. contrôler (brider; réprimer; maîtriser; )
    beheersen; intomen; beteugelen
    • beheersen werkwoord (beheers, beheerst, beheersde, beheersden, beheerst)
    • intomen werkwoord (toom in, toomt in, toomde in, toomden in, ingetoomd)
    • beteugelen werkwoord (beteugel, beteugelt, beteugelde, beteugelden, beteugeld)
  3. contrôler (vérifier; examiner)
    checken; verifiëren; natrekken; nagaan
    • checken werkwoord (check, checkt, checkte, checkten, gecheckt)
    • verifiëren werkwoord (verifiëer, verifiëert, verifiëerde, verifiëerden, geverifiëerd)
    • natrekken werkwoord (trek na, trekt na, trok na, trokken na, nagetrokken)
    • nagaan werkwoord (ga na, gaat na, ging na, gingen na, nagegaan)
  4. contrôler (passer en revue; visiter; regarder; )
    bekijken; inspecteren; bezichtigen
    • bekijken werkwoord (bekijk, bekijkt, bekeek, bekeken, bekeken)
    • inspecteren werkwoord (inspecteer, inspecteert, inspecteerde, inspecteerden, geïnspecteerd)
    • bezichtigen werkwoord (bezichtig, bezichtigt, bezichtigde, bezichtigden, bezichtigd)
  5. contrôler (examiner; interroger; faire passer un examen; )
    testen; examineren; overhoren; toetsen
    • testen werkwoord (test, testte, testten, getest)
    • examineren werkwoord (examineer, examineert, examineerde, examineerden, geëxamineerd)
    • overhoren werkwoord (overhoor, overhoort, overhoorde, overhoorden, overhoord)
    • toetsen werkwoord (toets, toetst, toetste, toetsten, getoetst)
  6. contrôler (maîtriser la matière; maîtriser)
  7. contrôler (dominer; avoir le dessus; maîtriser; l'emporter sur)
    overheersen; domineren; de overhand hebben
    • overheersen werkwoord (overheers, overheerst, overheerste, overheersten, overheerst)
    • domineren werkwoord (domineer, domineert, domineerde, domineerden, gedomineerd)
    • de overhand hebben werkwoord (heb de overhand, hebt de overhand, heeft de overhand, had de overhand, hadden de overhand, de overhand gehad)
  8. contrôler (vérifier)
    verifieren; zekerstellen; nagaan
    • verifieren werkwoord
    • zekerstellen werkwoord (stel zeker, stelt zeker, stelde zeker, stelden zeker, zekergesteld)
    • nagaan werkwoord (ga na, gaat na, ging na, gingen na, nagegaan)
  9. contrôler
    controleren
    • controleren werkwoord (controleer, controleert, controleerde, controleerden, gecontroleerd)

Conjugations for contrôler:

Présent
  1. contrôle
  2. contrôles
  3. contrôle
  4. contrôlons
  5. contrôlez
  6. contrôlent
imparfait
  1. contrôlais
  2. contrôlais
  3. contrôlait
  4. contrôlions
  5. contrôliez
  6. contrôlaient
passé simple
  1. contrôlai
  2. contrôlas
  3. contrôla
  4. contrôlâmes
  5. contrôlâtes
  6. contrôlèrent
futur simple
  1. contrôlerai
  2. contrôleras
  3. contrôlera
  4. contrôlerons
  5. contrôlerez
  6. contrôleront
subjonctif présent
  1. que je contrôle
  2. que tu contrôles
  3. qu'il contrôle
  4. que nous contrôlions
  5. que vous contrôliez
  6. qu'ils contrôlent
conditionnel présent
  1. contrôlerais
  2. contrôlerais
  3. contrôlerait
  4. contrôlerions
  5. contrôleriez
  6. contrôleraient
passé composé
  1. ai contrôlé
  2. as contrôlé
  3. a contrôlé
  4. avons contrôlé
  5. avez contrôlé
  6. ont contrôlé
divers
  1. contrôle!
  2. contrôlez!
  3. contrôlons!
  4. contrôlé
  5. contrôlant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Synoniemen voor "contrôler":


Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van contrôle



Remove Ads

Remove Ads