Overzicht
Frans naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. faisceau:
  2. Wiktionary:


Frans

Uitgebreide vertaling voor faisceau (Frans) in het Nederlands

faisceau:

faisceau [le ~] zelfstandig naamwoord

  1. le faisceau
    de bundel
    • bundel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    de bos
    – langwerpige dingen die bij elkaar gehouden worden 1
    • bos [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
      • ik kocht een bos wortelen1
  2. le faisceau (gerbe; botte)
    de schoof; de bundel; het bosje
    • schoof [de ~] zelfstandig naamwoord
    • bundel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • bosje [het ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor faisceau:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bos faisceau arbres; bois; forêt; pays boisé
bosje botte; faisceau; gerbe arbrisseau; arbuste; broussaille; buisson
bundel botte; faisceau; gerbe collection de poésie; recueil de poèmes
schoof botte; faisceau; gerbe
Not SpecifiedVerwante vertalingenAndere vertalingen
bundel lot; offre groupée

Synoniemen voor "faisceau":


Wiktionary: faisceau

faisceau
noun
  1. Assemblage
  2. (Anatomie)
  3. Assemblage de verges
  4. Assemblage de trois fusils
  5. (Physique)
faisceau
noun
  1. biologie|nld het transportsysteem van vaatplanten

Cross Translation:
FromToVia
faisceau straal; bundel beam — ray
faisceau schoof sheaf — mathematical construct

Verwante vertalingen van faisceau