Remove Ads

Frans

Uitgebreide vertaling voor viser (Frans) in het Nederlands

viser:

viser werkwoord

  1. viser (viser à)
    richten; in een bep. richting plaatsen; mikken
  2. viser (viser à)
    doelen
    • doelen werkwoord (doel, doelt, doelde, doelden, gedoeld)
  3. viser (avoir en vue; aspirer; se proposer; ambitionner; poursuivre)
    bedoelen; beogen; ten doel hebben
    • bedoelen werkwoord (bedoel, bedoelt, bedoelde, bedoelden, bedoeld)
    • beogen werkwoord (beoog, beoogt, beoogde, beoogden, beoogd)
    • ten doel hebben werkwoord
  4. viser (diriger; aboutir à)
    aansturen
    • aansturen werkwoord (stuur aan, stuurt aan, stuurde aan, stuurden aan, aangestuurd)
  5. viser (ambitionner; aspirer à; viser à)
    streven naar; streven; mikken op
    • streven naar werkwoord (streef naar, streeft naar, streefte naar, streeften naar, gestreefd naar)
    • streven werkwoord (streef, streeft, streefte, streeften, gestreefd)
    • mikken op werkwoord
  6. viser (viser à; avoir en vue)
    viseren; doel beogen; aansturen op
  7. viser (s'efforcer; ambitionner; aspirer à; viser à)
    streven; ijveren
    • streven werkwoord (streef, streeft, streefte, streeften, gestreefd)
    • ijveren werkwoord (ijver, ijvert, ijverde, ijverden, geijverd)
  8. viser (viser à; ambitionner; aspirer à; s'efforcer)
    mikken; gericht werpen
  9. viser (sonder; plomber)

Conjugations for viser:

Présent
  1. vise
  2. vises
  3. vise
  4. visons
  5. visez
  6. visent
imparfait
  1. visais
  2. visais
  3. visait
  4. visions
  5. visiez
  6. visaient
passé simple
  1. visai
  2. visas
  3. visa
  4. visâmes
  5. visâtes
  6. visèrent
futur simple
  1. viserai
  2. viseras
  3. visera
  4. viserons
  5. viserez
  6. viseront
subjonctif présent
  1. que je vise
  2. que tu vises
  3. qu'il vise
  4. que nous visions
  5. que vous visiez
  6. qu'ils visent
conditionnel présent
  1. viserais
  2. viserais
  3. viserait
  4. viserions
  5. viseriez
  6. viseraient
passé composé
  1. ai visé
  2. as visé
  3. a visé
  4. avons visé
  5. avez visé
  6. ont visé
divers
  1. vise!
  2. visez!
  3. visons!
  4. visé
  5. visant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Synoniemen voor "viser":


Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van viser



Remove Ads

Remove Ads