Overzicht
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. breuk:
  2. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor breuk (Nederlands) in het Duits

breuk:

breuk [de ~] zelfstandig naamwoord

  1. de breuk (breukgetal)
    der Zahnbruch; der Bruch; die Fraktur
    • Zahnbruch [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Bruch [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Fraktur [die ~] zelfstandig naamwoord
  2. de breuk (barst; scheur; krak)
    der Riß; der Bruch; der Sprung
    • Riß [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Bruch [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Sprung [der ~] zelfstandig naamwoord
  3. de breuk (fractuur)
    die Fraktur; der Bruch
    • Fraktur [die ~] zelfstandig naamwoord
    • Bruch [der ~] zelfstandig naamwoord
  4. de breuk (interruptie; onderbreking; verbreking)
    die Unterbrechung; die Interruption

Vertaal Matrix voor breuk:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Bruch barst; breuk; breukgetal; fractuur; krak; scheur afval; breken; groeve; knak; knik; mijnschacht; ontwarring; rotzooi; scheiding; segregatie; verbreking; vuilnis
Fraktur breuk; breukgetal; fractuur
Interruption breuk; interruptie; onderbreking; verbreking
Riß barst; breuk; krak; scheur barst; gat; groef; inkeping; kloof; opening; reet; scheur; split; torn; uitsparing
Sprung barst; breuk; krak; scheur
Unterbrechung breuk; interruptie; onderbreking; verbreking bemoeienis; breken; inlating; inmenging; onderbreken; onderbreking; pauze; respijt; rustpauze; scheiding; segregatie; storing; tussenpoos; uitstel; verbreken; verbreking; verpozing
Zahnbruch breuk; breukgetal
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
Sprung sprong; stijging

Verwante woorden van "breuk":


Verwante definities voor "breuk":

  1. een kapotte bot in je lichaam1
    • de breuk in haar arm genas snel1
  2. niet een heel getal1
    • driekwart is een breuk1

Wiktionary: breuk

breuk
noun
  1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
breuk
noun
  1. Mathematik: die Darstellung eines Quotienten von Termen, insbesondere von ganzen Zahlen, bei der man einen zumeist horizontalen horizontalen Bruchstrich zieht, über diesem als Zähler den Dividenden schreibt und unterhalb als Nenner den Divisor.
  2. Geologie: eine Verwerfung, eine Störungszone
  3. das (gewaltsame) Auflösen, Lösen einer Verbindung
  4. ein einhalten einer Vereinbarung, Vertrages, Übereinkunft
  5. Anatomie: ein Eingeweidebruch bei Menschen und Tieren
  6. Anatomie: eine Knochenfraktur bei Menschen und Tieren
  7. das körperliche Brechen, Zertrennen eines Gegenstandes; Materials; der Ort des Brechens; ein Auseinandergehen, Trennen im weitesten Sinne von Gegenständen, Materialien, Verbindungen, Zusammenschlüssen

Cross Translation:
FromToVia
breuk Spalte; Riss; Sprung; Ritze crack — thin space opened in a previously solid material
breuk Bruch fraction — arithmetic: ratio
breuk Fraktur; Bruch; Knochenbruch fracture — act of breaking, or something broken
breuk Fraktur; Bruch fracturerupture avec effort.
breuk Bruch; Hernia hernie — chirurgie|fr tumeur mou former par un organe ou une partie d’organe sortir de la cavité qui le contenir normalement par un orifice naturel ou accidentel.