Overzicht
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. dorst:
  2. dorsen:
  3. dorsten:
  4. dor:

Remove Ads

Nederlands

Uitgebreide vertaling voor dorst (Nederlands) in het Duits

dorst:

dorst [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de dorst (dorstigheid)
    der Durst
    • Durst [der ~] zelfstandig naamwoord

Verwante woorden van "dorst":

  • dorstten, dor

Verwante definities voor "dorst":

  1. behoefte om iets te drinken1
    • als het warm is heb je gauw dorst1

dorsen:

dorsen werkwoord (dors, dorst, dorste, dorsten, gedorst)

  1. dorsen
    dreschen
    • dreschen werkwoord (dresche, drescht, drischt, draschte, draschtet, gedrescht)

Conjugations for dorsen:

o.t.t.
  1. dors
  2. dorst
  3. dorst
  4. dorsen
  5. dorsen
  6. dorsen
o.v.t.
  1. dorste
  2. dorste
  3. dorste
  4. dorsten
  5. dorsten
  6. dorsten
v.t.t.
  1. heb gedorst
  2. hebt gedorst
  3. heeft gedorst
  4. hebben gedorst
  5. hebben gedorst
  6. hebben gedorst
v.v.t.
  1. had gedorst
  2. had gedorst
  3. had gedorst
  4. hadden gedorst
  5. hadden gedorst
  6. hadden gedorst
o.t.t.t.
  1. zal dorsen
  2. zult dorsen
  3. zal dorsen
  4. zullen dorsen
  5. zullen dorsen
  6. zullen dorsen
o.v.t.t.
  1. zou dorsen
  2. zou dorsen
  3. zou dorsen
  4. zouden dorsen
  5. zouden dorsen
  6. zouden dorsen
diversen
  1. dors!
  2. dorst!
  3. gedorst
  4. dorsend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

dorst vorm van dorsten:

dorsten werkwoord (dorst, dorstte, dorstten, gedorst)

  1. dorsten (sterk verlangen naar)
    dürsten
    • dürsten werkwoord (dürste, dürstest, dürstet, dürstete, dürstetet, gedürstet)

Conjugations for dorsten:

o.t.t.
  1. dorst
  2. dorst
  3. dorst
  4. dorsten
  5. dorsten
  6. dorsten
o.v.t.
  1. dorstte
  2. dorstte
  3. dorstte
  4. dorstten
  5. dorstten
  6. dorstten
v.t.t.
  1. heb gedorst
  2. hebt gedorst
  3. heeft gedorst
  4. hebben gedorst
  5. hebben gedorst
  6. hebben gedorst
v.v.t.
  1. had gedorst
  2. had gedorst
  3. had gedorst
  4. hadden gedorst
  5. hadden gedorst
  6. hadden gedorst
o.t.t.t.
  1. zal dorsten
  2. zult dorsten
  3. zal dorsten
  4. zullen dorsten
  5. zullen dorsten
  6. zullen dorsten
o.v.t.t.
  1. zou dorsten
  2. zou dorsten
  3. zou dorsten
  4. zouden dorsten
  5. zouden dorsten
  6. zouden dorsten
diversen
  1. dorst!
  2. dorst!
  3. gedorst
  4. dorstend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

dor:

dor bijvoeglijk naamwoord

  1. dor (verdord; droog)
    trocken; dürr; karg; öde; vertrocknet; fruchtlos; welk; unfruchtbar
  2. dor (schraal)
    schal; trocken; dürr; schofel; öde; karg; schäbig; unfruchtbar; kärglich

Verwante woorden van "dor":


Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van dorst



Remove Ads

Remove Ads