Overzicht
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. mekkeren:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor mekkeren (Nederlands) in het Duits

mekkeren:

mekkeren werkwoord (mekker, mekkert, mekkerde, mekkerden, gemekkerd)

  1. mekkeren (blaten)
    meckern; blöken
    • meckern werkwoord (meckere, meckerst, meckert, meckerte, meckertet, gemechert)
    • blöken werkwoord (blöke, blökst, blökt, blökte, blöktet, geblökt)

Conjugations for mekkeren:

o.t.t.
  1. mekker
  2. mekkert
  3. mekkert
  4. mekkeren
  5. mekkeren
  6. mekkeren
o.v.t.
  1. mekkerde
  2. mekkerde
  3. mekkerde
  4. mekkerden
  5. mekkerden
  6. mekkerden
v.t.t.
  1. heb gemekkerd
  2. hebt gemekkerd
  3. heeft gemekkerd
  4. hebben gemekkerd
  5. hebben gemekkerd
  6. hebben gemekkerd
v.v.t.
  1. had gemekkerd
  2. had gemekkerd
  3. had gemekkerd
  4. hadden gemekkerd
  5. hadden gemekkerd
  6. hadden gemekkerd
o.t.t.t.
  1. zal mekkeren
  2. zult mekkeren
  3. zal mekkeren
  4. zullen mekkeren
  5. zullen mekkeren
  6. zullen mekkeren
o.v.t.t.
  1. zou mekkeren
  2. zou mekkeren
  3. zou mekkeren
  4. zouden mekkeren
  5. zouden mekkeren
  6. zouden mekkeren
diversen
  1. mekker!
  2. mekkert!
  3. gemekkerd
  4. mekkerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor mekkeren:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
blöken blaten; mekkeren loeien
meckern blaten; mekkeren brommen; foeteren; kankeren; klagen; knorren; knorrend geluid maken; misnoegen uiten; mopperen; morren; over iets mopperen; protesteren; pruttelen; sputteren; tegenpruttelen; tegensputteren