Nederlands

Uitgebreide vertaling voor uit de weg gaan (Nederlands) in het Duits

uit de weg gaan:

uit de weg gaan werkwoord (ga uit de weg, gaat uit de weg, ging uit de weg, gingen uit de weg, gingen uit de weg)

  1. uit de weg gaan (uitwijken)
    ausweichen; auswandern; fliehen; emigrieren
    • ausweichen werkwoord (weiche aus, weichst aus, weicht aus, wich aus, wichet aus, ausgewichen)
    • auswandern werkwoord (wandere aus, wanderst aus, wandert aus, wanderte aus, wandertet aus, ausgewandert)
    • fliehen werkwoord (fliehe, fliehst, flieht, floh, floht, geflohen)
    • emigrieren werkwoord (emigriere, emigrierst, emigriert, emigrierte, emigriertet, emigriert)
  2. uit de weg gaan (vermijden; mijden; ontlopen; ontwijken)
    vermeiden; aus dem Weg gehen; ausweichen

Conjugations for uit de weg gaan:

o.t.t.
  1. ga uit de weg
  2. gaat uit de weg
  3. gaat uit de weg
  4. gaan uit de weg
  5. gaan uit de weg
  6. gaan uit de weg
o.v.t.
  1. ging uit de weg
  2. ging uit de weg
  3. ging uit de weg
  4. gingen uit de weg
  5. gingen uit de weg
  6. gingen uit de weg
v.t.t.
  1. ben gingen uit de weg
  2. bent gingen uit de weg
  3. is gingen uit de weg
  4. zijn gingen uit de weg
  5. zijn gingen uit de weg
  6. zijn gingen uit de weg
v.v.t.
  1. was gingen uit de weg
  2. was gingen uit de weg
  3. was gingen uit de weg
  4. waren gingen uit de weg
  5. waren gingen uit de weg
  6. waren gingen uit de weg
o.t.t.t.
  1. zal uit de weg gaan
  2. zult uit de weg gaan
  3. zal uit de weg gaan
  4. zullen uit de weg gaan
  5. zullen uit de weg gaan
  6. zullen uit de weg gaan
o.v.t.t.
  1. zou uit de weg gaan
  2. zou uit de weg gaan
  3. zou uit de weg gaan
  4. zouden uit de weg gaan
  5. zouden uit de weg gaan
  6. zouden uit de weg gaan
diversen
  1. ga uit de weg!
  2. gat uit de weg!
  3. gingen uit de weg
  4. uit de weg gaand
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor uit de weg gaan:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aus dem Weg gehen mijden; ontlopen; ontwijken; uit de weg gaan; vermijden
auswandern uit de weg gaan; uitwijken emigreren; landverhuizen; migreren; uit een land wijken; uitwijken
ausweichen mijden; ontlopen; ontwijken; uit de weg gaan; uitwijken; vermijden opzij gaan; uitwijken; zwenken
emigrieren uit de weg gaan; uitwijken emigreren; landverhuizen; uit een land wijken; uitwijken
fliehen uit de weg gaan; uitwijken er tussenuit knijpen; er vandoor gaan; lopend weggaan; losbreken; loskomen; ontglippen; ontkomen; ontslagen worden; ontsnappen; ontsnappen aan; ontvluchten; op vrije voeten gesteld worden; uitwijken; uitwijken voor iets; vlieden; vluchten; vrijkomen; weghaasten; weghollen; wegijlen; wegkomen; weglopen; wegrennen; wegsnellen; wegspoeden; wegvluchten; wijken; zich bevrijden; zich met geweld losbreken; zich vrijmaken
vermeiden mijden; ontlopen; ontwijken; uit de weg gaan; vermijden een bezwaar ondervangen; ondervangen; ontduiken; ontlopen; ontwijken; vermijden; voorkomen

Wiktionary: uit de weg gaan


Cross Translation:
FromToVia
uit de weg gaan zedieren; abtreten cede — give up
uit de weg gaan aufputzen; ausputzen; schmücken; verzieren; ausweichen; entweichen; meiden; vermeiden; aus dem Wege gehen; verhindern; umgehen; entgehen parer — Traductions à trier suivant le sens
uit de weg gaan ausweichen; entweichen; meiden; vermeiden; aus dem Wege gehen; verhindern; umgehen; entgehen éviter — Échapper à

Verwante vertalingen van uit de weg gaan