Nederlands

Uitgebreide vertaling voor aangedaan (Nederlands) in het Engels

aangedaan:

aangedaan bijvoeglijk naamwoord

  1. aangedaan (bewogen; geroerd)
    affected; moved; touched
  2. aangedaan (ingeschakeld; aangezet)
    switched on; put on
  3. aangedaan (kapot van; getroffen; geraakt; )

Vertaal Matrix voor aangedaan:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
put on aanstellerij; toneel
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
put on aandoen; aankleden; aanmaken; aantrekken; aanzetten; inschakelen; licht aansteken; omdoen; onderbinden; ontsteken; starten; voorbinden; voordoen
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
affected aangedaan; bewogen; geroerd aanstellerig; bekakt; dikdoenerig; geaffecteerd; gekunsteld; gemaakt; gewrongen; gezocht; onnatuurlijk; ontroerd; overdreven; theatraal
moved aangedaan; bewogen; geroerd geraakt; getoucheerd; ontroerd
put on aangedaan; aangezet; ingeschakeld
touched aangedaan; bewogen; geroerd geraakt; getoucheerd; ontroerd
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
dreadfully cut up by it aangedaan; aangegrepen; aangeslagen; geraakt; geroerd; getroffen; geëmotioneerd; kapot van
switched on aangedaan; aangezet; ingeschakeld

Verwante woorden van "aangedaan":

  • aangedane

Wiktionary: aangedaan

aangedaan
adjective
  1. een staat waarin je verkeert als iets je emotioneel geraakt heeft

aangedaan vorm van aandoen:

aandoen werkwoord (doe aan, doet aan, deed aan, deden aan, aangedaan)

  1. aandoen (aanrichten; veroorzaken; aanstichten)
    to cause; to instigate
    • cause werkwoord (causes, caused, causing)
    • instigate werkwoord (instigates, instigated, instigating)
  2. aandoen (berokkenen; veroorzaken)
    to cause
    • cause werkwoord (causes, caused, causing)
  3. aandoen (aankleden; aantrekken)
    to dress; to put on
    • dress werkwoord (dresss, dressed, dressing)
    • put on werkwoord (puts on, put on, putting on)
  4. aandoen (inschakelen; aandraaien)
    to switch on; turn on
  5. aandoen (inschakelen; aanzetten; starten; aanmaken)
    to switch on; turn on; to connect; to put on; to start; to light
    • switch on werkwoord (switchs on, switched on, switching on)
    • turn on werkwoord
    • connect werkwoord (connects, connected, connecting)
    • put on werkwoord (puts on, put on, putting on)
    • start werkwoord (starts, started, starting)
    • light werkwoord (lights, lit, lighting)
  6. aandoen (kwaad doen)
    bring evil upon; to hurt

Conjugations for aandoen:

o.t.t.
  1. doe aan
  2. doet aan
  3. doet aan
  4. doen aan
  5. doen aan
  6. doen aan
o.v.t.
  1. deed aan
  2. deed aan
  3. deed aan
  4. deden aan
  5. deden aan
  6. deden aan
v.t.t.
  1. heb aangedaan
  2. hebt aangedaan
  3. heeft aangedaan
  4. hebben aangedaan
  5. hebben aangedaan
  6. hebben aangedaan
v.v.t.
  1. had aangedaan
  2. had aangedaan
  3. had aangedaan
  4. hadden aangedaan
  5. hadden aangedaan
  6. hadden aangedaan
o.t.t.t.
  1. zal aandoen
  2. zult aandoen
  3. zal aandoen
  4. zullen aandoen
  5. zullen aandoen
  6. zullen aandoen
o.v.t.t.
  1. zou aandoen
  2. zou aandoen
  3. zou aandoen
  4. zouden aandoen
  5. zouden aandoen
  6. zouden aandoen
diversen
  1. doe aan!
  2. doet aan!
  3. aangedaan
  4. aandoende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

aandoen [znw.] zelfstandig naamwoord

  1. aandoen (kleden; aankleden; aantrekken)
    the clothing; the attiring; the dressing

Vertaal Matrix voor aandoen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
attiring aandoen; aankleden; aantrekken; kleden
cause aanleiding; beweegreden; directe oorzaak; drijfveer; motief; motivatie; oorzaak; reden
clothing aandoen; aankleden; aantrekken; kleden gewaad; kleding; kledingstuk; kleren; plunje; tenue; uniform
dress dracht; gewaad; japon; jurk; jurkje; kleding; kleren; livrei; robe; tenue; uitdossing; uniform; verwachting; zwangerschap
dressing aandoen; aankleden; aantrekken; kleden
hurt belediging; grief; krenking; kwetsuur; verwonding; wond
light lichtje
put on aanstellerij; toneel
start aanvang; aanzet; begin; initiatief; inzet; opening; start
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bring evil upon aandoen; kwaad doen
cause aandoen; aanrichten; aanstichten; berokkenen; veroorzaken teweegbrengen; veroorzaken; verwekken
connect aandoen; aanmaken; aanzetten; inschakelen; starten aan elkaar bevestigen; aan elkaar knopen; aaneenschakelen; aanhaken; aankoppelen; aansluiten; bevestigen; bijeen voegen; combineren; doorverbinden; ergens aan bevestigen; ineensluiten; knopen; koppelen; onderling verbinden; paren; relateren; samenkoppelen; samenvoegen; van verband voorzien; vasthaken; vastkoppelen; vastmaken; vastzetten; verbinden; verbinding maken
dress aandoen; aankleden; aantrekken afwerken; garneren; kleden; opmaken; opsmukken; schotels garneren; uitmonsteren; versieren; zich aankleden; zich kleden; zich tooien
hurt aandoen; kwaad doen benadelen; beschadigen; bezeren; blesseren; duperen; folteren; grieven; knauwen; krenken; kwaad doen; kwellen; kwetsen; martelen; nadeel toebrengen; nadelig zijn; pijn bezorgen; pijn doen; pijnigen; schade berokkenen; schade toebrengen aan; schaden; verwonden; zeer doen
instigate aandoen; aanrichten; aanstichten; veroorzaken aanstoken; aanwakkeren; aanzetten; iemand opstoken; opfokken; ophitsen; opjutten; oppoken; opruien; opstoken; opzetten; poken
light aandoen; aanmaken; aanzetten; inschakelen; starten aanmaken; aansteken; aanstrijken; beschijnen; doen branden; doen ontvlammen; licht aansteken; lichter worden van kleur; ontsteken; oplichten; verlichten; vuur maken; vuurmaken
put on aandoen; aankleden; aanmaken; aantrekken; aanzetten; inschakelen; starten aanmaken; licht aansteken; omdoen; onderbinden; ontsteken; voorbinden; voordoen
start aandoen; aanmaken; aanzetten; inschakelen; starten aanbinden; aanbreken; aangaan; aanknopen; aanvangen; afreizen; beginnen; een begin nemen; heengaan; inleiden; inluiden; intreden; inzetten; lanceren; omhoogkomen; ondernemen; op de markt brengen; op gang komen; openen; opstarten; opstijgen; opvliegen; starten; uitgeven; van start gaan; van wal gaan; van wal steken; verdwijnen; verlaten; wegreizen; wegtrekken
switch on aandoen; aandraaien; aanmaken; aanzetten; inschakelen; starten
turn on aandoen; aandraaien; aanmaken; aanzetten; inschakelen; starten inschakelen; ontsluiten; opendraaien; openen
- aantrekken
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
hurt beledigd; gegriefd; gekwetst; gewond
put on aangedaan; aangezet; ingeschakeld
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
light licht; lichtwegend; loszinnig; niet donker; vederlicht

Synoniemen voor "aandoen":


Antoniemen van "aandoen":


Verwante definities voor "aandoen":

  1. een goede of slechte indruk maken1
    • dat hij zo beleefd is, doet plezierig aan1
  2. ervoor zorgen dat iemand iets ergs meemaakt1
    • die schande kun je me niet aandoen!1
  3. laten werken1
    • wil je het licht aandoen?1
  4. een kledingstuk om je heen doen1
    • het is koud buiten, je moet een jas aandoen1

Wiktionary: aandoen

aandoen
verb
  1. to don clothing
  2. (intransitive) to power up
  3. to treat unjustly

Cross Translation:
FromToVia
aandoen apply; employ; make use of; use; turn to account; put on; lay down; place; put; put down; lay; set; practice; administer; attach; put onto; add; append; assign; paste appliquermettre une chose sur une autre, soit pour qu’elle y demeure adhérente, être pour qu’elle y laisser une empreinte, soit simplement pour qu’elle y toucher.
aandoen plug in; connect; switch on; turn on brancher — Se percher sur les branches d’un arbre.
aandoen cause; chat; gossip; cause to take place; hold; organize; provoke; stage; give rise to; pose; result; inflict; wreak causerêtre cause de ; occasionner, provoquer.
aandoen give; donate donner — Faire un don ; transférer, sans rétribution, la propriété d’une chose que l’on posséder ou dont on jouir, à une autre personne.
aandoen determine; fix; set; cause; give rise to; result in; decide; persuade; move; induce; inflict; wreak; settle; talk round; bring round; pose; provoke déterminerfixer les limites de, délimiter précisément.
aandoen impose; impose upon; force; coerce; thrust; assert; put on; apply; tax; mandate; necessitate; oblige; inflict imposer — Traductions à trier suivant le sens
aandoen put; put on; apply; lay down; place; put down; lay; set; insert; put away; put in; stow; enclose; introduce mettreplacer une personne, ou un animal, ou une chose dans un lieu déterminé.
aandoen switch on; turn on; unlock; open up; clear ouvrir — Faire que ce qui clore, fermer, ne le être plus.
aandoen procure; act as agent; act as go-between; purvey; cause; cause to take place; hold; organize; result in; provide; deliver; supply; get procurerfaire obtenir à une personne quelque avantage par son crédit, par ses soins.
aandoen accept; receive; accredit; admit; clothe; dress; fit; suit; array; attire; cover; overlay; lag; plate; protect; coat; back; put on; apply; plaster; stucco revêtirpourvoir de vêtements quelqu’un qui en a besoin.
aandoen switch on; turn on; turn; turn around; turn round; revolve; whirl tourner — Traductions à trier suivant le sens