Overzicht
Nederlands naar Engels:   Meer gegevens...
  1. geluid:
  2. luiden:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor geluid (Nederlands) in het Engels

geluid:

geluid [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het geluid (rumoer)
    – wat je kunt horen 1
    the noise
    – sound of any kind (especially unintelligible or dissonant sound) 2
    • noise [the ~] zelfstandig naamwoord
      • he enjoyed the street noises2
      • they heard indistinct noises of people talking2
      • during the firework display that ended the gala the noise reached 98 decibels2
    the sound
    – the particular auditory effect produced by a given cause 2
    • sound [the ~] zelfstandig naamwoord
      • the sound of rain on the roof2
      • the beautiful sound of music2
    the fuss
    • fuss [the ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor geluid:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
fuss geluid; rumoer deining; drukte; franje; gechicaneer; geharrewar; gelazer; heisa; kouwe drukte; krakeel; narigheid; omslachtigheid; ophef; poespas; rompslomp; rumoer; trammelant; veel gedoe
noise geluid; rumoer beroering; drukte; gedruis; geraas; heibel; heksenketel; herrie; kabaal; lawaai; leven; opschudding; pandemonium; rumoer; spektakel; tumult
sound geluid; rumoer intonatie; klank; klankgeluid; klankkleur; klanktint; timbre; toon; zeestraat; zeeëngte
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
sound beieren; bellen; doorklinken; echoën; galmen; iemand opbellen; klank voortbrengen; klinken; klokluiden; luiden; met sonde onderzoeken; opbellen; resoneren; schallen; sonderen; telefoontje plegen; weergalmen; weerkaatsen; weerklinken; weerschallen
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
sound aannemelijk; betrouwbaar; degelijk; degelijke; deugdelijk; doortimmerd; gedegen; gefundeerd; gegrond; kredietwaardig; logisch; op goede gronden steunend; solide; solvabel; solvent; steekhoudend; van goede hoedanigheid

Verwante woorden van "geluid":

  • geluidje, geluidjes

Verwante definities voor "geluid":

  1. wat je kunt horen1
    • plotseling klonk er een geluid in het stille bos1

Wiktionary: geluid

geluid
noun
  1. trillingen in de lucht of andere substantie die door het oor waargenomen kunnen worden
geluid
noun
  1. various sounds, usually unwanted
  2. sensation perceived by the ear
  3. -
adjective
  1. -

Cross Translation:
FromToVia
geluid sound son — Quelque chose que l’on peut écouter, entendre.

geluid vorm van luiden:

luiden werkwoord (luid, luidt, luidde, luidden, geluid)

  1. luiden (beieren)
    – een helder klinkend geluid laten horen 1
    to sound; to ring
    • sound werkwoord (sounds, sounded, sounding)
    • ring werkwoord (rings, rang, ringing)
    to chime
    – emit a sound 2
    • chime werkwoord (chimes, chimed, chiming)
      • bells and gongs chimed2
  2. luiden (klank voortbrengen; klinken)
    – een helder klinkend geluid laten horen 1
    to sound; give a sound
  3. luiden (bonzen)
    to bump against; to call; to tinkle; to ring; brush against
    • bump against werkwoord (bumps against, bumped against, bumping against)
    • call werkwoord (calls, called, calling)
    • tinkle werkwoord (tinkles, tinkled, tinkling)
    • ring werkwoord (rings, rang, ringing)
    • brush against werkwoord
  4. luiden (klokluiden)
    – een helder klinkend geluid laten horen 1
    to toll
    – ring slowly 2
    • toll werkwoord (tolls, tolled, tolling)
      • For whom the bell tolls2
    to sound
    • sound werkwoord (sounds, sounded, sounding)

Conjugations for luiden:

o.t.t.
  1. luid
  2. luidt
  3. luidt
  4. luiden
  5. luiden
  6. luiden
o.v.t.
  1. luidde
  2. luidde
  3. luidde
  4. luidden
  5. luidden
  6. luidden
v.t.t.
  1. heb geluid
  2. hebt geluid
  3. heeft geluid
  4. hebben geluid
  5. hebben geluid
  6. hebben geluid
v.v.t.
  1. had geluid
  2. had geluid
  3. had geluid
  4. hadden geluid
  5. hadden geluid
  6. hadden geluid
o.t.t.t.
  1. zal luiden
  2. zult luiden
  3. zal luiden
  4. zullen luiden
  5. zullen luiden
  6. zullen luiden
o.v.t.t.
  1. zou luiden
  2. zou luiden
  3. zou luiden
  4. zouden luiden
  5. zouden luiden
  6. zouden luiden
diversen
  1. luid!
  2. luidt!
  3. geluid
  4. luidend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor luiden:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
call aanroepen; bellen; belletje; convocatie; geluidssein; geluidssignaal; lokroep; loktoon; opbellen; oproep; oproeping; praaien; telefonisch bericht; telefoontje
ring aaneenschakeling; belletje; cirkel; cirkelvorm; keten; ketting; kring; kringel; kringvormig; overgaan; piste; ring; rondje; snoer; soort sieraad; telefonisch bericht; telefoontje; wielerbaan
sound geluid; intonatie; klank; klankgeluid; klankkleur; klanktint; rumoer; timbre; toon; zeestraat; zeeëngte
tinkle tengel; tingel
toll tol; tolgeld
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
brush against bonzen; luiden
bump against bonzen; luiden
call bonzen; luiden aanbellen; aanroepen; afkondigen; bellen; benoemen; bestempelen; betitelen; bijeenroepen; convoceren; decreteren; een naam geven; erbij halen; erbij roepen; iemand opbellen; noemen; opbellen; ordonneren; praaien; roepen; samenroepen; telefoontje plegen; vernoemen; verordenen; verordineren
chime beieren; luiden
give a sound klank voortbrengen; klinken; luiden
ring beieren; bonzen; luiden aanbellen; bellen; door de telefoon praten; iemand opbellen; kringen vormen; opbellen; overgaan; telefoneren; telefoontje plegen
sound beieren; klank voortbrengen; klinken; klokluiden; luiden bellen; doorklinken; echoën; galmen; iemand opbellen; met sonde onderzoeken; opbellen; resoneren; schallen; sonderen; telefoontje plegen; weergalmen; weerkaatsen; weerklinken; weerschallen
tinkle bonzen; luiden klingelen; rinkelen; tingelen; tinkelen
toll klokluiden; luiden
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
sound aannemelijk; betrouwbaar; degelijk; degelijke; deugdelijk; doortimmerd; gedegen; gefundeerd; gegrond; kredietwaardig; logisch; op goede gronden steunend; solide; solvabel; solvent; steekhoudend; van goede hoedanigheid
toll niet-gratis

Verwante definities voor "luiden":

  1. een helder klinkend geluid laten horen1
    • de klok luidt1
  2. zijn of klinken1
    • zijn antwoord luidt positief1

Wiktionary: luiden

luiden
verb
  1. doen klinken, gewoonlijk van een bel
luiden
verb
  1. to make produce sound
  2. of something spoken or written, to appear to be, to seem, to sound
  3. to pronounce
  4. to make the noise of a bell

Cross Translation:
FromToVia
luiden ring anläuten — (transitiv) veraltet: etwas durch Läuten (einer Glocke) bekannt geben, signalisieren
luiden ring; a; bell anläuten — (transitiv) veraltet: eine Glocke läuten
luiden ring anläuten — (intransitiv) veraltet: an etwas läuten
luiden ring anläuten — (transitiv) Sport: durch Läuten seinen Anfang nehmen/starten lassen
luiden conceive concevoir — Exprimer en certains termes.
luiden give a ring; ring the bell; toll; peal; ring; clang; sound; strike; resound sonnerrendre un son.
luiden buzz; jingle; tinkle; chime; clank; clink; peal; ring; clang; sound; toll tinterfaire sonner lentement une cloche, en sorte que le battant ne frapper que d’un côté.

Verwante vertalingen van geluid