Nederlands

Uitgebreide vertaling voor ontbonden (Nederlands) in het Engels

ontbonden:

ontbonden bijvoeglijk naamwoord

  1. ontbonden (uiteengegaan; opgeheven; uiteengevallen)
    dissolved; separated; fallen apart; divorced; apart

Vertaal Matrix voor ontbonden:

Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
dissolved ontbonden; opgeheven; uiteengegaan; uiteengevallen opgelost
divorced ontbonden; opgeheven; uiteengegaan; uiteengevallen
separated ontbonden; opgeheven; uiteengegaan; uiteengevallen afgescheiden; gesepareerd
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
apart ontbonden; opgeheven; uiteengegaan; uiteengevallen afzonderlijk; alleenstaand; apart; gescheiden; los van elkaar; losstaand; op zich; op zichzelf staand; separaat; uit elkaar; uit elkander; uiteen; uitelkaar; van elkaar; van elkander; vaneen; vrijstaand
fallen apart ontbonden; opgeheven; uiteengegaan; uiteengevallen

Wiktionary: ontbonden

ontbonden
en-simple past o
  1. simple past of "to unbind"
  2. past participle of "to unbind"

ontbinden:

ontbinden werkwoord (ontbind, ontbindt, ontbond, ontbonden, ontbonden)

  1. ontbinden (uiteen doen gaan; opheffen)
    to dissolve; to melt away
    • dissolve werkwoord (dissolves, dissolved, dissolving)
    • melt away werkwoord (melts away, melted away, melting away)
  2. ontbinden (wegrotten; rotten; vergaan; verrotten; verteren)
    to deteriorate; to perish; to degenerate; to rot; to decay; to be wrecked; to fall into decline; to be lost; to meet an accident; to crash
    • deteriorate werkwoord (deteriorates, deteriorated, deteriorating)
    • perish werkwoord (perishes, perished, perishing)
    • degenerate werkwoord (degenerates, degenerated, degenerating)
    • rot werkwoord (rots, rotted, rotting)
    • decay werkwoord (decaies, decayed, decaying)
    • be wrecked werkwoord (is wrecked, being wrecked)
    • fall into decline werkwoord (falls into decline, fell into decline, falling into decline)
    • be lost werkwoord (is lost, being lost)
    • meet an accident werkwoord (meets an accident, met an accident, meeting an accident)
    • crash werkwoord (crashes, crashed, crashing)
  3. ontbinden (verbreken; beëindigen; afbreken; )
    to adjourn; to break down; to sever
    • adjourn werkwoord (adjourns, adjourned, adjourning)
    • break down werkwoord (breaks down, broke down, breaking down)
    • sever werkwoord (severs, severed, severing)

Conjugations for ontbinden:

o.t.t.
  1. ontbind
  2. ontbindt
  3. ontbindt
  4. ontbinden
  5. ontbinden
  6. ontbinden
o.v.t.
  1. ontbond
  2. ontbond
  3. ontbond
  4. ontbonden
  5. ontbonden
  6. ontbonden
v.t.t.
  1. heb ontbonden
  2. hebt ontbonden
  3. heeft ontbonden
  4. hebben ontbonden
  5. hebben ontbonden
  6. hebben ontbonden
v.v.t.
  1. had ontbonden
  2. had ontbonden
  3. had ontbonden
  4. hadden ontbonden
  5. hadden ontbonden
  6. hadden ontbonden
o.t.t.t.
  1. zal ontbinden
  2. zult ontbinden
  3. zal ontbinden
  4. zullen ontbinden
  5. zullen ontbinden
  6. zullen ontbinden
o.v.t.t.
  1. zou ontbinden
  2. zou ontbinden
  3. zou ontbinden
  4. zouden ontbinden
  5. zouden ontbinden
  6. zouden ontbinden
en verder
  1. is ontbonden
  2. zijn ontbonden
diversen
  1. ontbind!
  2. ontbindt!
  3. ontbonden
  4. ontbindend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

ontbinden [znw.] zelfstandig naamwoord

  1. ontbinden (uiteen halen)
    the dissolving; the separating

Vertaal Matrix voor ontbinden:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
crash aanrijding; aanvaring; afname; barst; beurskrach; botsing; breuk; collisie; crash; daling; debacle; dreun; ineenstorting; ineenzakking; instorting; klap; knal; krach; krak; kwak; minder worden; scheur; smak; terugloop; val; vastloper
decay bederf; verbasterd woord; verbastering; verrotting
degenerate gedegenereerde; ontaarde; perverseling
dissolving ontbinden; uiteen halen
rot gebazel; geklets; geleuter; gelul; gewauwel; gezwam; gezwets; leuterpraat
separating ontbinden; uiteen halen afsnijden; uiteengaan
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
adjourn afbreken; beëindigen; forceren; ontbinden; opheffen; stukmaken; verbreken; verbrijzelen halthouden; schorsen; stoppen; suspenderen; verdagen
be lost ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten aftakelen; missen; verdwaald zijn; vermissen; verongelukken; verzwakken; wegglijden
be wrecked ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten verongelukken
break down afbreken; beëindigen; forceren; ontbinden; opheffen; stukmaken; verbreken; verbrijzelen afbreken; afknappen; begeven; bezwijken; breken; er vanaf breken; flippen; in elkaar klappen; in elkaar storten; inklappen; neerhalen; omverhalen; ondergaan; slopen; te gronde gaan; uit elkaar halen
crash ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten aanrijden; botsen; crashen; ineenstorten; instorten; op elkaar knallen; op elkaar stoten; stoten op; vastlopen; verongelukken
decay ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten afrotten; bederven; bouwvallig worden; rotten; vergaan; verkommeren; verrotten; vervallen; wegrotten
degenerate ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten achteruitgaan; degenereren; ontaarden; verbasteren; verderven; vervormen; verworden
deteriorate ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten afrotten; bouwvallig worden; erger worden; verslechteren; vervallen
dissolve ontbinden; opheffen; uiteen doen gaan in een vloeistof opgaan; opdoeken; opheffen; oplossen; wegsmelten
fall into decline ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten
meet an accident ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten verongelukken
melt away ontbinden; opheffen; uiteen doen gaan wegsmelten
perish ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten bezwijken; breken; doodgaan; heengaan; inslapen; kapot gaan; omkomen; onder water gaan; ondergaan; overlijden; sneuvelen; sterven; stuk gaan; te gronde gaan; ten ondergaan; vallen; verongelukken; wegvallen; zinken
rot ontbinden; rotten; vergaan; verrotten; verteren; wegrotten afrotten; bederven; in staat van ontbinding zijn; kletspraat verkopen; liggen rotten; lullen; rotten; vergaan; verrotten; wegrotten; zeveren; zwammen; zwetsen
sever afbreken; beëindigen; forceren; ontbinden; opheffen; stukmaken; verbreken; verbrijzelen loskoppelen; scheiden; splitsen; uit elkaar halen; uiteengaan; uitsplitsen
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
degenerate bedorven; gedegenereerd; liederlijk; ontaard; onzedelijk; rot; rottig; slecht; verdorven; vergaan; verregaand zedenloos; verrot
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
break down ongerede

Wiktionary: ontbinden

ontbinden
verb
  1. een organisatie opheffen
  2. het uiteen (laten) vallen van een chemische stof in een aantal andere
ontbinden
verb
  1. to disperse a group
  2. to terminate a union of multiple members actively
  3. cause to break into parts
  4. to break up or cause to cease to exist
  5. to separate
  6. to decay
  7. dissolve (a marital union)
  8. take bindings off

Cross Translation:
FromToVia
ontbinden repeal; annul; nullify; rescind; abrogate; void abroger — Rendre nul. principalement en parlant de lois, de coutumes
ontbinden analyse; analyze; assay; construe; parse analyserexaminer en ses différentes parties.
ontbinden abolish; annul; cancel; drop; lift; negate; nullify; repeal; rescind; void; abrogate; abate annulerrendre nul.
ontbinden get rid of; abolish; delete; annul; nullify supprimer — Traductions à trier suivant le sens