Nederlands

Uitgebreide vertaling voor staatje (Nederlands) in het Engels

staatje:

staatje [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het staatje (lijst van gegevens; staat; overzicht; )
    the report; the list; the record
    • report [the ~] zelfstandig naamwoord
    • list [the ~] zelfstandig naamwoord
    • record [the ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor staatje:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
list lijst; lijst van gegevens; opgaaf; opgave; overzicht; staat; staatje ledenlijst; legerlijst; lijst; opnoeming; opsomming; register; slagzij; staat; tabel; tafel
record lijst; lijst van gegevens; opgaaf; opgave; overzicht; staat; staatje album; elpee; grammofoon; grammofoonplaat; l.p.; langspeelplaat; lp; optekening; plaat; rapport; record; reportage; schijf; verhaal; verslag; weergave
report lijst; lijst van gegevens; opgaaf; opgave; overzicht; staat; staatje aantekening; bekendmaking; bericht; berichtgeving; blad; boodschap; gewag; maandblad; magazine; mededeling; mededelingen; melding; noot; notitie; opgave; opschrijving; opstel; periodiek; proces verbaal; rapport; rapportage; referaat; relaas; reportage; scriptie; tijding; tijdschrift; tijdspiegel; uitspraak; verhaal; verklaring; vermelding; verslag; verwittiging; weekblad; weergave
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
list boeken; een lijst maken; erbij zeggen; noemen; noteren; opnemen in een lijst; opnoemen; opschrijven; opsommen; optekenen; registreren; vastleggen; vermelden
record aantekenen; boeken; boekstaven; inspreken; noteren; onthouden; op schrift stellen; opnemen; opschrijven; opslaan; optekenen; registreren; te boek stellen; vastleggen
report berichten; beschrijven; iets melden; informeren; klikken; mededelen; meedelen; melden; rapporteren; uiteenzetten; verhaal vertellen; verhalen; verklappen; verslag uitbrengen; vertellen; zeggen

Verwante woorden van "staatje":


staat:

staat [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de staat (natie; land; rijk)
    the country; the state; the nation; the empire; the kingdom
    • country [the ~] zelfstandig naamwoord
    • state [the ~] zelfstandig naamwoord
    • nation [the ~] zelfstandig naamwoord
    • empire [the ~] zelfstandig naamwoord
    • kingdom [the ~] zelfstandig naamwoord
  2. de staat (gesteldheid; toestand; positie)
    the state; the condition; the position; the situation
    • state [the ~] zelfstandig naamwoord
    • condition [the ~] zelfstandig naamwoord
    • position [the ~] zelfstandig naamwoord
    • situation [the ~] zelfstandig naamwoord
  3. de staat (toestand; conditie)
    the state; the situation
    • state [the ~] zelfstandig naamwoord
    • situation [the ~] zelfstandig naamwoord
  4. de staat (lijst van gegevens; overzicht; lijst; )
    the report; the list; the record
    • report [the ~] zelfstandig naamwoord
    • list [the ~] zelfstandig naamwoord
    • record [the ~] zelfstandig naamwoord
  5. de staat (opsomming; opnoeming; lijst)
    the summary; the list; the statement
    • summary [the ~] zelfstandig naamwoord
    • list [the ~] zelfstandig naamwoord
    • statement [the ~] zelfstandig naamwoord
  6. de staat
    the State
    • State [the ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor staat:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
State staat
condition gesteldheid; positie; staat; toestand beding; bepaling; beperking; conditie; criterium; eis; kriterium; vereiste; voorwaarde; vorm
country land; natie; rijk; staat land; platteland
empire land; natie; rijk; staat imperium; keizerrijk
kingdom land; natie; rijk; staat koninkrijk; rijk
list lijst; lijst van gegevens; opgaaf; opgave; opnoeming; opsomming; overzicht; staat; staatje ledenlijst; legerlijst; lijst; register; slagzij; tabel; tafel
nation land; natie; rijk; staat natie; volk
position gesteldheid; positie; staat; toestand ambt; arrangement; baan; betrekking; bewering; dienstbetrekking; functie; gezichtshoek; gezichtspunt; houding; indeling; invalshoek; job; klasse; ligging; maatschappelijke klasse; oogpunt; opstelling; orde; ordening; perspectief; positie; rang; rangschikking; schikking; slag; stand; stand van het lichaam; standpunt; standpuntbepaling; stellingname; thema; zienswijs
record lijst; lijst van gegevens; opgaaf; opgave; overzicht; staat; staatje album; elpee; grammofoon; grammofoonplaat; l.p.; langspeelplaat; lp; optekening; plaat; rapport; record; reportage; schijf; verhaal; verslag; weergave
report lijst; lijst van gegevens; opgaaf; opgave; overzicht; staat; staatje aantekening; bekendmaking; bericht; berichtgeving; blad; boodschap; gewag; maandblad; magazine; mededeling; mededelingen; melding; noot; notitie; opgave; opschrijving; opstel; periodiek; proces verbaal; rapport; rapportage; referaat; relaas; reportage; scriptie; tijding; tijdschrift; tijdspiegel; uitspraak; verhaal; verklaring; vermelding; verslag; verwittiging; weekblad; weergave
situation conditie; gesteldheid; positie; staat; toestand levensomstandigheden; ligging; locatie; omstandigheden; omstandigheid; positie; situatie; stand van zaken; toestand
state conditie; gesteldheid; land; natie; positie; rijk; staat; toestand status; toestand
statement lijst; opnoeming; opsomming; staat aangifte; aantekening; bankafschrift; bekendmaking; bericht; bevestiging; beweren; bewering; boodschap; constatering; declaratie; financieel overzicht; frase; gewag; gezegde; instructie; kwestie; mededeling; melding; meningsuiting; noot; notitie; opgaaf; opgave; opheldering; opschrijving; overzicht; probleem; proces verbaal; rapport; rekeningoverzicht; relaas; statement; stelling; tijding; toelichting; uitdrukking; uitlating; uitlegging; uitspraak; vaststelling; verklaring; vermelding; verwittiging; vraagstuk; zegswijze; zin; zwaarte
summary lijst; opnoeming; opsomming; staat excerpt; extract; kwestie; opgaaf; opgave; probleem; resumé; samenvatting; uittreksel; vraagstuk; zwaarte
- land; rijk; toestand
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
list boeken; een lijst maken; erbij zeggen; noemen; noteren; opnemen in een lijst; opnoemen; opschrijven; opsommen; optekenen; registreren; vastleggen; vermelden
position plaatsen; positioneren; zetten
record aantekenen; boeken; boekstaven; inspreken; noteren; onthouden; op schrift stellen; opnemen; opschrijven; opslaan; optekenen; registreren; te boek stellen; vastleggen
report berichten; beschrijven; iets melden; informeren; klikken; mededelen; meedelen; melden; rapporteren; uiteenzetten; verhaal vertellen; verhalen; verklappen; verslag uitbrengen; vertellen; zeggen
state afkondigen; bekendmaken; berichten; informeren; meedelen; melden; mening kenbaar maken; proclameren; rapporteren; verkondigen; verslag uitbrengen

Verwante woorden van "staat":


Synoniemen voor "staat":


Verwante definities voor "staat":

  1. gebied binnen bepaalde grenzen met eigen regering1
    • dit is een bedrijf van de staat1
  2. overzicht, lijst1
    • op dit staatje kun je zien wat je verdient1
  3. hoe iets of iemand is1
    • het gebouw is in zijn oude staat hersteld1

Wiktionary: staat

staat
noun
  1. een land
staat
noun
  1. sovereign state
  2. political unit
  3. status or condition
  4. any sovereign polity
  5. a political division of a federation retaining a degree of autonomy
  6. a condition
en-prep
  1. capable of

Cross Translation:
FromToVia
staat state Staat — Gesamtheit der Einrichtungen, die dazu dienen, das Zusammenleben der auf einem abgegrenzten Territorium lebenden Menschen mithilfe von Gesetzgebung, Rechtsprechung und vollziehender Gewalt dauerhaft sicherzustellen
staat state; standing Stand — bestimmte Eigenschaft, Beschaffenheit, Verfassung von etwas
staat state; condition ZustandArt und Weise, wie etwas zu einem bestimmen Zeitpunkt ist
staat memory; recollection mémoirecapacité à retenir, conserver et rappeler de nombreuses informations antérieures.
staat power; force; puissance puissancepouvoir d’imposer son autorité.
staat reign; kingdom; kingship; royalty; realm; state; control; rule; governance; regulation; ruling; ascendancy; ascendance règneexercice du pouvoir souverain dans un état monarchique.
staat state; condition; status; standing; estate état — Disposition de quelqu’un, de quelque chose