Nederlands

Uitgebreide vertaling voor was (Nederlands) in het Engels

was:

was [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de was (wasgoed)
    the laundry
    • laundry [the ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor was:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
laundry was; wasgoed

Verwante woorden van "was":


Wiktionary: was

was
noun
  1. product van de bij
  2. het schoonmaken met water
  3. wasgoed
  4. aangroei, stijging
was
noun
  1. that which needs to be laundered
  2. laundering; washing
  3. viscous liquid used to prepare a surface
  4. oily, water-resistant substance
  5. preparation containing wax, used as a polish

Cross Translation:
FromToVia
was wax WachsChemie: Ester aus Fettsäuren und langkettigen Alkoholenvergleiche Wikipedia|Wachs#Wachsarten|Wachs
was laundry WäschePlural ungebräuchlich: Gesamtheit mehrerer Kleidungs- und Textilstücke, die kürzlich gewaschen wurden oder gewaschen werden sollen
was wax cirematière mou, très fusible et jaunâtre, avec laquelle les abeilles construire les gâteaux de leurs ruches et qu’on emploie à différents usages, dans les arts, dans l’économie domestique, etc.

was vorm van zijn:

zijn werkwoord (ben, bent, is, was, waren, geweest)

  1. zijn (zich bevinden; uithangen)
    to be; to reside; to dwell; to hang out
    • be werkwoord (is, was, being)
    • reside werkwoord (resides, resided, residing)
    • dwell werkwoord (dwells, dwelt, dwelling)
    • hang out werkwoord (hangs out, hung out, hanging out)
  2. zijn (bestaan; leven; existeren)
    to exist
    • exist werkwoord (exists, existed, existing)
  3. zijn
    to be
    – have the quality of being; (copula, used with an adjective or a predicate noun) 1
    • be werkwoord (is, was, being)
      • John is rich1
      • This is not a good answer1

Conjugations for zijn:

o.t.t.
  1. ben
  2. bent
  3. is
  4. zijn
  5. zijn
  6. zijn
o.v.t.
  1. was
  2. was
  3. was
  4. waren
  5. waren
  6. waren
v.t.t.
  1. ben geweest
  2. bent geweest
  3. is geweest
  4. zijn geweest
  5. zijn geweest
  6. zijn geweest
v.v.t.
  1. was geweest
  2. was geweest
  3. was geweest
  4. waren geweest
  5. waren geweest
  6. waren geweest
o.t.t.t.
  1. zal zijn
  2. zult zijn
  3. zal zijn
  4. zullen zijn
  5. zullen zijn
  6. zullen zijn
o.v.t.t.
  1. zou zijn
  2. zou zijn
  3. zou zijn
  4. zouden zijn
  5. zouden zijn
  6. zouden zijn
diversen
  1. wees!
  2. zijt!
  3. geweest
  4. zijnd
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

zijn bijvoeglijk naamwoord

  1. zijn
    its; his; one's
    • its bijvoeglijk naamwoord
    • his bijvoeglijk naamwoord
    • one's bijvoeglijk naamwoord

zijn [znw.] zelfstandig naamwoord

  1. zijn (existentie; leven; bestaan)
    the life; the existence; the being; the path of life
    • life [the ~] zelfstandig naamwoord
    • existence [the ~] zelfstandig naamwoord
    • being [the ~] zelfstandig naamwoord
    • path of life [the ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor zijn:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
being bestaan; existentie; leven; zijn individu; mens; persoon; sterveling; wezen
existence bestaan; existentie; leven; zijn
life bestaan; existentie; leven; zijn bestendigheid; duurzaamheid; levensduur; levensproces; leventje
path of life bestaan; existentie; leven; zijn levensgeschiedenis; levensloop; levenswandel; levensweg
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
be uithangen; zich bevinden; zijn bevinden; boetseren; modelleren; vorm geven; vormen; zich bevinden
dwell uithangen; zich bevinden; zijn
exist bestaan; existeren; leven; zijn
hang out uithangen; zich bevinden; zijn naar buiten hangen; uithangen
reside uithangen; zich bevinden; zijn bewonen; gevestigd zijn; gezeten zijn; leven; logeren; resideren; verblijfplaats hebben; verblijven; wonen; zetelen
- wezen
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
his zijne
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
being zijnd
his zijn
its zijn
one's zijn

Verwante woorden van "zijn":


Synoniemen voor "zijn":


Verwante definities voor "zijn":

  1. iets doen2
    • hij is aan het fietsen2
  2. een werkelijkheid vormen, bestaan2
    • er zijn mensen die op hun handen kunnen lopen2
  3. bezittelijk: hij is van die mannelijke persoon2
    • is dat zijn fiets?2
  4. geeft aan dat het al gebeurd is2
    • zij is weggegaan2
  5. je er bevinden2
    • er zijn mensen in het huis2
  6. noemt een eigenschap of kenmerk van het onderwerp2
    • zij is een aardige meid2

Wiktionary: zijn

zijn
verb
  1. bestaan
    • zijnbe
  2. zich bevinden.
    • zijnbe
  3. gelijk zijn aan.
    • zijnbe
  4. tot de groep behoren van
    • zijnbe
  5. de eigenschap hebben.
  6. + te: verplichting
    • zijnbe
  7. + te: mogelijkheid
    • zijnbe
  8. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
  9. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
pronoun
  1. derde persoon enkelvoud m/o
zijn
en-pron
  1. belonging to
  2. belonging to it
  3. attributive: belonging to him
verb
  1. act submissively
  2. auxiliary used in forming the perfect and the past perfect tenses
  3. be exhausted, finished, ready
  4. be at odds (with)
  5. become silent
  6. be the property of
  7. be in a specific direction
  8. be equipped with
  9. used to indicate weather, air quality, or the like
  10. (archaic) used to form the perfect aspect with certain intransitive verbs
  11. used to indicate that the subject has the qualities described by a noun or noun phrase
  12. used to connect a noun to an adjective that describes it
  13. used to indicate that the subject plays the role of the predicate nominative
  14. used to indicate that the subject and object are the same
  15. elliptical form of "be here", or similar
  16. exist
  17. occur, take place
  18. occupy a place
  19. -
  20. be enough, sufficient, adequate
  21. to exist
noun
  1. act of severing

Cross Translation:
FromToVia
zijn be geben — (in Verbindung mit es) existieren, da sein
zijn be sein — Kopula, die dem Subjekt ein logisches Prädikat zuordnet
zijn be seinzusammen mit einer Ortsangabe: sich am genannten Ort befinden
zijn exist seinexistieren
zijn his; her; its seineine Form des Possessivpronomens „sein, seine, sein“: drückt das Eigentum, den Besitz einer Person an einer Sache oder Person aus, beziehungsweise umgekehrt die Zugehörigkeit
zijn account; for; answer; something; be; accountable; in charge; of; responsible; draw verantwortlich zeichnenAmtssprache, verantwortlich zeichnen für etwas: die übertragene Verantwortung ausübend seine Unterschrift unter etwas setzen
zijn there be y avoir — Exister, être présent, se passer
zijn be être — Verbe

wassen:

wassen werkwoord (was, wast, waste, wasten, gewassen)

  1. wassen (uitwassen)
    to wash; to rinse out; to clean; to flush away; to purify
    • wash werkwoord (washes, washed, washing)
    • rinse out werkwoord (rinses out, rinsed out, rinsing out)
    • clean werkwoord (cleans, cleaned, cleaning)
    • flush away werkwoord (flushes away, flushed away, flushing away)
    • purify werkwoord (purifies, purified, purifying)
  2. wassen (gedijen; tieren)
    to prosper; to thrive; to grow
    • prosper werkwoord (prospers, prospered, prospering)
    • thrive werkwoord (thrives, thrived, thriving)
    • grow werkwoord (grows, grew, growing)

Conjugations for wassen:

o.t.t.
  1. was
  2. wast
  3. wast
  4. wassen
  5. wassen
  6. wassen
o.v.t.
  1. waste
  2. waste
  3. waste
  4. wasten
  5. wasten
  6. wasten
v.t.t.
  1. heb gewassen
  2. hebt gewassen
  3. heeft gewassen
  4. hebben gewassen
  5. hebben gewassen
  6. hebben gewassen
v.v.t.
  1. had gewassen
  2. had gewassen
  3. had gewassen
  4. hadden gewassen
  5. hadden gewassen
  6. hadden gewassen
o.t.t.t.
  1. zal wassen
  2. zult wassen
  3. zal wassen
  4. zullen wassen
  5. zullen wassen
  6. zullen wassen
o.v.t.t.
  1. zou wassen
  2. zou wassen
  3. zou wassen
  4. zouden wassen
  5. zouden wassen
  6. zouden wassen
diversen
  1. was!
  2. wast!
  3. gewassen
  4. wassend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

wassen [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het wassen (reinigen; wassing)
    the washing; the purification; the cleansing
    the cleaning
    – the act of making something clean 1
    • cleaning [the ~] zelfstandig naamwoord
      • he gave his shoes a good cleaning1
  2. het wassen (zwellen)
    the swelling; the rising
    • swelling [the ~] zelfstandig naamwoord
    • rising [the ~] zelfstandig naamwoord

wassen bijvoeglijk naamwoord

  1. wassen (van was)
    waxen
    • waxen bijvoeglijk naamwoord

Vertaal Matrix voor wassen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
cleaning reinigen; wassen; wassing kuis; kuising; opruiming; reinigen; reiniging; schoonmaak; schoonmaken; zuivering
cleansing reinigen; wassen; wassing kuis; kuising; opruiming; reinigen; reiniging; schoonmaak; schoonmaken; zuivering
grow bloesem
purification reinigen; wassen; wassing kuis; kuising; loutering; opruiming; reinigen; reiniging; schoonmaak; schoonmaken; zuivering
rising wassen; zwellen aangroei; aanwas; aanwassen; aanzwellen; klimmen; omhoog komen; omhoogkomen; opstijgen; rijzing; stijgen; stijging; uitdijen; uitdijing; verrijzing
swelling wassen; zwellen aangroei; aanwas; bobbel; bolling; buil; bult; dikte; knobbel; kwetsuur; letsel; opgezwollen plek; opzetting; pukkel; steenpuist; uitdijen; uitdijing; zwelling
wash golfslag; kielwater; kielzog; omslaan van golven
washing reinigen; wassen; wassing goed; kuis; kuising; reinigen; reiniging; schoonmaak; schoonmaken; wasgoed; zuivering
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
clean uitwassen; wassen bergen; opruimen; reinigen; schonen; schoonmaken; schoonpoetsen; zemen; zuiveren
flush away uitwassen; wassen
grow gedijen; tieren; wassen aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; gedijen; groeien; groot worden; groter worden; hoger worden; omhoog komen; omhoog rijzen; omhooggaan; omhoogkomen; omhoogstijgen; opgroeien; opstijgen; opvliegen; opzetten; rijzen; stijgen; toenemen; uitdijen; uitzwellen; vermeerderen; volgroeien; volwassen worden
prosper gedijen; tieren; wassen bloeien; floreren; goed lopen; ontplooien; opbloeien; opfleuren; tot bloei komen; tot hoogconjunctuur komen; tot volle wasdom komen
purify uitwassen; wassen in zedelijk opzicht zuiveren; klaren; kuisen; louteren; reinigen
rinse out uitwassen; wassen omspoelen; omspoelen met water; uitspoelen
thrive gedijen; tieren; wassen bloeien; tot hoogconjunctuur komen
wash uitwassen; wassen afspoelen; omspoelen met water; reinigen; schoonmaken; schoonpoetsen; uitspoelen; zuiveren
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
rising klimmend; omhooggaand; oplopend; oprijzend; rijzend; stijgend; toenemend; verheffend
waxen van was; wassen
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
clean deugdzaam; eerzaam; gewoonweg; gladweg; hygienisch; kuis; net; netjes; opgeruimd; ordelijk; proper; rein; ronduit; schoon; zedig; zindelijk; zuiver

Verwante woorden van "wassen":


Verwante definities voor "wassen":

  1. met water (en zeep) schoonmaken2
    • de moeder wast het kind2

Wiktionary: wassen

wassen
verb
  1. iets schoonmaken
  2. zichzelf schoonmaken
  3. groeien
  4. in de was zetten
    • wassenwax
wassen
verb
  1. (intransitive) to become bigger
  2. (transitive) to remove dirt from a place or object
  3. to clean with water
  4. apply wax to
adjective
  1. made of wax
noun
  1. process of growing

Cross Translation:
FromToVia
wassen augment; grow; rise; heighten; raise; amplify; accrue; enlarge; aggrandize; magnify; step up; wax augmenterrendre une quantité plus grande.
wassen grow up; grow; accrue; wax; mount; aggrandize grandir — intransitif|fr devenir plus grand.
wassen wash; launder lavernettoyer avec de l’eau, pure ou additionnée de savon ou de lessive, ou, avec tout autre liquide.
wassen mix; blend; mingle; shuffle mélanger — Unir plusieurs choses ensemble pour former un tout
wassen return; turn over; turn around; turn round; inside out; turn; revolve; whirl; relay; resend; send back; blend; mingle; mix; shuffle; invert; reverse retourneraller de nouveau en un lieu.

Verwante vertalingen van was