Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. bok:
  2. bokken:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor bok (Nederlands) in het Frans

bok:

bok [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de bok (mannetjesgeit)
    le bouc
    • bouc [le ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor bok:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bouc bok; mannetjesgeit

Verwante woorden van "bok":


Wiktionary: bok

bok
noun
  1. een mannelijke geit
bok
noun
  1. Mâle de la chèvre
  2. Table destinée au travail de certains métiers manuels

Cross Translation:
FromToVia
bok bouc billy goat — male goat
bok bouc buck — male deer, goat, etc.
bok bélier buck — uncastrated sheep, a ram
bok chèvre; bouc goat — animal
bok → cheval d'arçons horse — gymnastic equipment

bok vorm van bokken:

bokken werkwoord (bok, bokt, bokte, bokten, gebokt)

  1. bokken (bokkig zijn; steigeren)
    se cabrer; bouder; être revêche; se révolter; faire la tête; être buté; s'indigner

Conjugations for bokken:

o.t.t.
  1. bok
  2. bokt
  3. bokt
  4. bokken
  5. bokken
  6. bokken
o.v.t.
  1. bokte
  2. bokte
  3. bokte
  4. bokten
  5. bokten
  6. bokten
v.t.t.
  1. heb gebokt
  2. hebt gebokt
  3. heeft gebokt
  4. hebben gebokt
  5. hebben gebokt
  6. hebben gebokt
v.v.t.
  1. had gebokt
  2. had gebokt
  3. had gebokt
  4. hadden gebokt
  5. hadden gebokt
  6. hadden gebokt
o.t.t.t.
  1. zal bokken
  2. zult bokken
  3. zal bokken
  4. zullen bokken
  5. zullen bokken
  6. zullen bokken
o.v.t.t.
  1. zou bokken
  2. zou bokken
  3. zou bokken
  4. zouden bokken
  5. zouden bokken
  6. zouden bokken
diversen
  1. bok!
  2. bokt!
  3. gebokt
  4. bokkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor bokken:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bouder bokken; bokkig zijn; steigeren bouderen; een pruillip trekken; kniezen; kwaad zijn; mokken; pruilen; schuimbekken; woedend zijn
faire la tête bokken; bokkig zijn; steigeren bouderen; een pruillip trekken; kniezen; mokken; pruilen
s'indigner bokken; bokkig zijn; steigeren
se cabrer bokken; bokkig zijn; steigeren
se révolter bokken; bokkig zijn; steigeren in opstand komen; muiten; rebelleren; scheepsoproer maken
être buté bokken; bokkig zijn; steigeren
être revêche bokken; bokkig zijn; steigeren fel reageren; steigeren

Verwante woorden van "bokken":


Wiktionary: bokken

bokken
verb
  1. mokken omdat men zich verongelijkt voelt

Cross Translation:
FromToVia
bokken ruer buck — of a horse: to leap upward arching its back, kicking out hind legs