Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. verscheuren:
  2. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor verscheuren (Nederlands) in het Frans

verscheuren:

verscheuren werkwoord (verscheur, verscheurt, verscheurde, verscheurden, verscheurd)

  1. verscheuren (kapot scheuren)
    déchirer; déchiqueter; lacérer; dévorer
    • déchirer werkwoord (déchire, déchires, déchirons, déchirez, )
    • déchiqueter werkwoord (déchiquette, déchiquettes, déchiquetons, déchiquetez, )
    • lacérer werkwoord (lacère, lacères, lacérons, lacérez, )
    • dévorer werkwoord (dévore, dévores, dévorons, dévorez, )
  2. verscheuren (aan flarden scheuren)
    arracher; déchirer; dévorer; déchiqueter; mettre en lambeaux; mettre en loques; craquer; fendre; écorcher; fêler; lacérer
    • arracher werkwoord (arrache, arraches, arrachons, arrachez, )
    • déchirer werkwoord (déchire, déchires, déchirons, déchirez, )
    • dévorer werkwoord (dévore, dévores, dévorons, dévorez, )
    • déchiqueter werkwoord (déchiquette, déchiquettes, déchiquetons, déchiquetez, )
    • mettre en lambeaux werkwoord
    • mettre en loques werkwoord
    • craquer werkwoord (craque, craques, craquons, craquez, )
    • fendre werkwoord (fends, fend, fendons, fendez, )
    • écorcher werkwoord (écorche, écorches, écorchons, écorchez, )
    • fêler werkwoord (fêle, fêles, fêlons, fêlez, )
    • lacérer werkwoord (lacère, lacères, lacérons, lacérez, )

Conjugations for verscheuren:

o.t.t.
  1. verscheur
  2. verscheurt
  3. verscheurt
  4. verscheuren
  5. verscheuren
  6. verscheuren
o.v.t.
  1. verscheurde
  2. verscheurde
  3. verscheurde
  4. verscheurden
  5. verscheurden
  6. verscheurden
v.t.t.
  1. heb verscheurd
  2. hebt verscheurd
  3. heeft verscheurd
  4. hebben verscheurd
  5. hebben verscheurd
  6. hebben verscheurd
v.v.t.
  1. had verscheurd
  2. had verscheurd
  3. had verscheurd
  4. hadden verscheurd
  5. hadden verscheurd
  6. hadden verscheurd
o.t.t.t.
  1. zal verscheuren
  2. zult verscheuren
  3. zal verscheuren
  4. zullen verscheuren
  5. zullen verscheuren
  6. zullen verscheuren
o.v.t.t.
  1. zou verscheuren
  2. zou verscheuren
  3. zou verscheuren
  4. zouden verscheuren
  5. zouden verscheuren
  6. zouden verscheuren
diversen
  1. verscheur!
  2. verscheurt!
  3. verscheurd
  4. verscheurend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor verscheuren:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
fendre afsplijten; afsplijting; afsplitsen; afsplitsing
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
arracher aan flarden scheuren; verscheuren afbreken; afklemmen; afknellen; afknijpen; afplukken; afrukken; afscheuren; breken; ergens uitscheuren; gappen; iem. afdwingen; losrukken; losscheuren; lostrekken; neerhalen; omblazen; omverhalen; omverrukken; omverwaaien; omwaaien; ontlokken; ontrukken; onttrekken; plukken; rooien; rukken; slopen; snaaien; stelen; stuk scheuren; trekken; uit elkaar halen; uit elkaar rukken; uit elkaar trekken; uiteentrekken; uitrukken; uitscheuren; weggraaien; wegpikken; wegrukken
craquer aan flarden scheuren; verscheuren bezwijken; een krakend geluid maken; in elkaar storten; knakken; knappen; kraken; ondergaan; raspen; schaven; schuren; te gronde gaan; uit elkaar rukken; uit elkaar trekken; uiteentrekken
déchiqueter aan flarden scheuren; kapot scheuren; verscheuren uit elkaar rukken; uit elkaar trekken; uiteentrekken
déchirer aan flarden scheuren; kapot scheuren; verscheuren afbreken; afrukken; afscheuren; breken; ergens uitscheuren; inscheuren; kapottrekken; losrukken; losscheuren; lostrekken; neerhalen; omverhalen; openrijten; openscheuren; rijten; scheuren; slopen; stuk scheuren; stuktrekken; uit elkaar halen; uit elkaar rukken; uit elkaar trekken; uiteentrekken; uitrukken; uitscheuren
dévorer aan flarden scheuren; kapot scheuren; verscheuren bikken; bunkeren; consumeren; doorslikken; ergens uitscheuren; eten; naar binnen werken; nuttigen; onfatsoenlijk eten; opeten; oppeuzelen; opvreten; schransen; schrokken; slikken; tegoed doen; tot zich nemen; uit elkaar rukken; uit elkaar trekken; uiteentrekken; verorberen; verslinden; verzwelgen; vreten; zitten proppen
fendre aan flarden scheuren; verscheuren barsten; delen; doorhakken; doorhouwen; doorklieven; doormidden hakken; doorsnijden; in tweeën houwen; inscheuren; klieven; kloven; kunnen stikken; losscheuren; ontploffen; opdelen; openrijten; openscheuren; opsplitsen; ploffen; rijten; scheuren; splijten; splitsen; springen; uit elkaar rukken; uit elkaar spatten; uit elkaar springen; uit elkaar trekken; uiteensplijten; uiteentrekken
fêler aan flarden scheuren; verscheuren een krakend geluid maken; inscheuren; kraken; losscheuren; openrijten; openscheuren; rijten; scheuren
lacérer aan flarden scheuren; kapot scheuren; verscheuren kapottrekken; stuktrekken; uit elkaar rukken; uit elkaar trekken; uiteentrekken
mettre en lambeaux aan flarden scheuren; verscheuren uit elkaar rukken; uit elkaar trekken; uiteentrekken
mettre en loques aan flarden scheuren; verscheuren uit elkaar rukken; uit elkaar trekken; uiteentrekken
écorcher aan flarden scheuren; verscheuren afhalen; afleggen; afschaven; afstropen; afzetten; bedonderen; bedriegen; beduvelen; belazeren; besodemieteren; bezwijken; het onderspit delven; misleiden; ontvellen; oplichten; stropen; tenondergaan; uit elkaar rukken; uit elkaar trekken; uitbenen; uiteentrekken; villen; zwendelen

Wiktionary: verscheuren

verscheuren
verb
  1. aan stukken rijten
verscheuren
verb
  1. Lacérer, dilacérer

Cross Translation:
FromToVia
verscheuren déchiqueter; lacérer; dilacérer shred — to cut or tear into narrow pieces or strips