Nederlands
Uitgebreide vertaling voor kleuren (Nederlands) in het Frans
kleuren:
-
de kleuren
-
kleuren (tinten)
teindre; teinter-
teindre werkwoord (teins, teint, teignons, teignez, teignent, teignais, teignait, teignions, teigniez, teignaient, teignis, teignit, teignîmes, teignîtes, teignirent, teindrai, teindras, teindra, teindrons, teindrez, teindront)
-
teinter werkwoord (teinte, teintes, teintons, teintez, teintent, teintais, teintait, teintions, teintiez, teintaient, teintai, teintas, teinta, teintâmes, teintâtes, teintèrent, teinterai, teinteras, teintera, teinterons, teinterez, teinteront)
-
-
kleuren (blozen; gloeien; rood worden)
rougir; avoir un teint coloré-
rougir werkwoord (rougis, rougit, rougissons, rougissez, rougissent, rougissais, rougissait, rougissions, rougissiez, rougissaient, rougîmes, rougîtes, rougirent, rougirai, rougiras, rougira, rougirons, rougirez, rougiront)
-
avoir un teint coloré werkwoord
-
Conjugations for kleuren:
o.t.t.
- kleur
- kleurt
- kleurt
- kleuren
- kleuren
- kleuren
o.v.t.
- kleurde
- kleurde
- kleurde
- kleurden
- kleurden
- kleurden
v.t.t.
- heb gekleurd
- hebt gekleurd
- heeft gekleurd
- hebben gekleurd
- hebben gekleurd
- hebben gekleurd
v.v.t.
- had gekleurd
- had gekleurd
- had gekleurd
- hadden gekleurd
- hadden gekleurd
- hadden gekleurd
o.t.t.t.
- zal kleuren
- zult kleuren
- zal kleuren
- zullen kleuren
- zullen kleuren
- zullen kleuren
o.v.t.t.
- zou kleuren
- zou kleuren
- zou kleuren
- zouden kleuren
- zouden kleuren
- zouden kleuren
en verder
- ben gekleurd
- bent gekleurd
- is gekleurd
- zijn gekleurd
- zijn gekleurd
- zijn gekleurd
diversen
- kleur!
- kleurt!
- gekleurd
- kleurend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
Translation Matrix for kleuren:
| Zelfstandig Naamwoord | Verwante vertalingen | Other Translations |
| couleurs | kleuren | kleurtjes; tinten |
| Werkwoord | Verwante vertalingen | Other Translations |
| avoir un teint coloré | blozen; gloeien; kleuren; rood worden | |
| rougir | blozen; gloeien; kleuren; rood worden | beschaamd voelen; rood aanlopen; rood worden; schamen; zich schamen |
| teindre | kleuren; tinten | |
| teinter | kleuren; tinten | beitsen |