Nederlands

Uitgebreide vertaling voor uitstel (Nederlands) in het Frans

uitstel:

uitstel [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het uitstel (respijt)
    le délai; le sursis; l'ajournement; la permutation; le déplacement; le transfert; le répit
  2. het uitstel (respijt; onderbreking)
    le sursis; le répit
    • sursis [le ~] zelfstandig naamwoord
    • répit [le ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor uitstel:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
ajournement respijt; uitstel daging; dagvaarding; opschorting; verdaging
délai respijt; uitstel doorlooptijd; levertijd; oponthoud; periode; sluitingstermijn; termijn; tijdlimiet; tijdsbestek; tijdsduur; verlet; vertraging
déplacement respijt; uitstel afvoer; conversie; mate van beweeglijkheid van het lichaam; motoriek; omzetting; overbrenging; overplaatsing; transport; verlegging; verplaatsing; verscheping; verschuiving; vervoer; verzetting; voortbeweging
permutation respijt; uitstel herstelling; omruil; omwisselen; omwisseling; substitutie; surrogaat; verruiling; vervanging; verwisseling; verzetting
répit onderbreking; respijt; uitstel afleiding; verpozing; verstrooiing; verzet; verzetje
sursis onderbreking; respijt; uitstel
transfert respijt; uitstel doorverbinden; gegevensoverdracht; overboeking; overmaking; overschrijving; overstap; verlegging; verruiling; verzetting

Wiktionary: uitstel

uitstel
noun
  1. Grâce, rabais, réduction (4-8)
  2. délai, remise, suspension de l’exécution d’une mesure.

Cross Translation:
FromToVia
uitstel suspension; en suspens abeyance — suspension; temporary suppression
uitstel procrastination procrastination — act of postponing, delaying or putting off

uitstel vorm van uitstellen:

uitstellen werkwoord (stel uit, stelt uit, stelde uit, stelden uit, uitgesteld)

  1. uitstellen (voor zich uitschuiven; verschuiven; vertragen; )
    reporter; ajourner; repousser; faire traîner les choses en longueur; renvoyer; temporiser
    • reporter werkwoord (reporte, reportes, reportons, reportez, )
    • ajourner werkwoord (ajourne, ajournes, ajournons, ajournez, )
    • repousser werkwoord (repousse, repousses, repoussons, repoussez, )
    • renvoyer werkwoord (renvoie, renvoies, renvoyons, renvoyez, )
    • temporiser werkwoord (temporise, temporises, temporisons, temporisez, )
  2. uitstellen
    répéter
    • répéter werkwoord (répète, répètes, répétons, répétez, )
  3. uitstellen
    différer
    • différer werkwoord (diffère, diffères, différons, différez, )

Conjugations for uitstellen:

o.t.t.
  1. stel uit
  2. stelt uit
  3. stelt uit
  4. stellen uit
  5. stellen uit
  6. stellen uit
o.v.t.
  1. stelde uit
  2. stelde uit
  3. stelde uit
  4. stelden uit
  5. stelden uit
  6. stelden uit
v.t.t.
  1. heb uitgesteld
  2. hebt uitgesteld
  3. heeft uitgesteld
  4. hebben uitgesteld
  5. hebben uitgesteld
  6. hebben uitgesteld
v.v.t.
  1. had uitgesteld
  2. had uitgesteld
  3. had uitgesteld
  4. hadden uitgesteld
  5. hadden uitgesteld
  6. hadden uitgesteld
o.t.t.t.
  1. zal uitstellen
  2. zult uitstellen
  3. zal uitstellen
  4. zullen uitstellen
  5. zullen uitstellen
  6. zullen uitstellen
o.v.t.t.
  1. zou uitstellen
  2. zou uitstellen
  3. zou uitstellen
  4. zouden uitstellen
  5. zouden uitstellen
  6. zouden uitstellen
en verder
  1. ben uitgesteld
  2. bent uitgesteld
  3. is uitgesteld
  4. zijn uitgesteld
  5. zijn uitgesteld
  6. zijn uitgesteld
diversen
  1. stel uit!
  2. stelt uit!
  3. uitgesteld
  4. uitstellend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor uitstellen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
reporter berichtgever; commentator; correspondent; journalist; journaliste; rapporteur; referent; reporter; reportster; verslaggeefster; verslaggever
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
ajourner opschorten; opschuiven; rekken; uitstellen; verschuiven; vertragen; voor zich uitschuiven verdagen
différer uitstellen afwijken; afwisselen; schelen; uiteenlopen; variëren; veranderen; verschil maken; verschillen; wisselen
faire traîner les choses en longueur opschorten; opschuiven; rekken; uitstellen; verschuiven; vertragen; voor zich uitschuiven dralen; drentelen; talmen; teuten; treuzelen
renvoyer opschorten; opschuiven; rekken; uitstellen; verschuiven; vertragen; voor zich uitschuiven afmarcheren; afnemen; afschepen; afschrikken; afwimpelen; afzonderen; bang maken; ecarteren; echoën; galmen; laten inrukken; lichten; omruilen; omwisselen; ontheffen; ontslaan; opsturen; pasporteren; posten; reflecteren; resoneren; restitueren; retourneren; ruilen; schallen; sturen; terugbrengen; teruggeven; terugkaatsen; terugsturen; terugzenden; toewerpen; toezenden; uitsturen; verdagen; verplaatsen; verschrikken; vervreemden; verwijderen; verwijzen naar; verwisselen; verzenden; weergalmen; weerkaatsen; weerklinken; weerschallen; weerspiegelen; wegbrengen; wegdoen; weghalen; wegnemen; wegsturen; wegwerken; wegzenden; wisselen
reporter opschorten; opschuiven; rekken; uitstellen; verschuiven; vertragen; voor zich uitschuiven samenvouwen; terecht brengen; verdagen
repousser opschorten; opschuiven; rekken; uitstellen; verschuiven; vertragen; voor zich uitschuiven abstineren; afduwen; afhouden; afketsen; afkeuren; afnemen; afschepen; afschrikken; afslaan; afstemmen; afweren; afwijzen; afwimpelen; afzonderen; bang maken; bedanken; buitensluiten; ecarteren; evacueren; laten passeren; leegruimen; lichten; onthouden; ontruimen; opduwen; opschuiven; plaats maken; schuivend verplaatsen; terugdrijven; terugdringen; terughouden; terugwijzen; uitsluiten; verdedigen; verplaatsen; verschrikken; verschuiven; versmaden; verstoten; vervreemden; verweren; verwerpen; verwijderen; verzetten; voor zich uitschuiven; wegbrengen; wegdoen; wegdringen; wegdrukken; wegduwen; weghalen; wegnemen; wegschuiven; wegstemmen; wegsturen; wegwerken; weren
répéter uitstellen de draad weer oppakken; echoën; herhalen; hernemen; hervatten; nabouwen; napraten; navertellen; nazeggen; oefenen; opnieuw beginnen; repeteren
temporiser opschorten; opschuiven; rekken; uitstellen; verschuiven; vertragen; voor zich uitschuiven aarzelen; dralen; drentelen; druilen; hannesen; ophouden; rekken; talmen; temporiseren; teuten; treuzelen; vertragen; zaniken; zeiken; zeuren

Wiktionary: uitstellen

uitstellen
verb
  1. naar een later tijdstip verschuiven
uitstellen
verb
  1. remettre à un autre jour.
  2. commerce|fr (vieilli) reculer les termes d’un paiement.
  3. Traductions à trier suivant le sens
  4. tirer ou pousser un objet en arrière.
  5. Remettre à plus tard
  6. envoyer de nouveau.
  7. différer, temporiser.

Cross Translation:
FromToVia
uitstellen différer defer — to delay
uitstellen retarder delay — put off until a later time
uitstellen ajourner; repousser postpone — to delay or put off an event
uitstellen procrastiner procrastinate — put off; to delay taking action

Verwante vertalingen van uitstel