Overzicht
Zweeds naar Engels:   Meer gegevens...
  1. vy:
  2. Wiktionary:


Zweeds

Uitgebreide vertaling voor vy (Zweeds) in het Engels

vy:

vy [-en] zelfstandig naamwoord

  1. vy (utsikt; panorama)
    the view; the sight; the panorama
    • view [the ~] zelfstandig naamwoord
    • sight [the ~] zelfstandig naamwoord
    • panorama [the ~] zelfstandig naamwoord
  2. vy (panorama; fri sikt; utsikt; perspektiv)
    the vista
    • vista [the ~] zelfstandig naamwoord
  3. vy
    the view
    – In relational database management systems, a logical table created through the specification of one or more relational operations on one or more tables. A view is equivalent to a divided relation in the relational model. 1
    • view [the ~] zelfstandig naamwoord
  4. vy
    the view
    – The display of data or an image from a given perspective or location. 1
    • view [the ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor vy:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
panorama panorama; utsikt; vy panorama; utblick; utsikt
sight panorama; utsikt; vy anblick; anlete; anseende; ansikte; baksikt; framträdande; syn; utseende; åsyn
view panorama; utsikt; vy anblick; besöka; föreställning; inspektera; intryck; kikhål; mening; ståndpunkt; syn; synpunkt; synvinkel; tanke; tankesätt; titthål; uppfattning; utblick; utsikt; åsikt; åsyn; övertygelse
vista fri sikt; panorama; perspektiv; utsikt; vy utblick; utsikt
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
view besiktiga; betrakta; inspektera; kontrolera; kontrollera; observera; se; stirra på; titta på; undersöka; utvärdera; visa; visitera; åskåda
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
panorama rundmålning
sight sevärdhet; sikt; synsinne; turistattraktion; åskådan
view förtoning; insyn; sikt; skärskåda

Synoniemen voor "vy":


Wiktionary: vy

vy
noun
  1. something to look at

Cross Translation:
FromToVia
vy air airmélange gazeux constituer l’atmosphère.
vy speed; pace; velocity; appearance; aspect; look; sight; view; countenance; guise; respect allurefaçon d’aller, de marcher.