Overzicht
Duits naar Engels:   Meer gegevens...
  1. Zufall:
  2. Wiktionary:


Duits

Uitgebreide vertaling voor Zufall (Duits) in het Engels

Zufall:

Zufall [der ~] zelfstandig naamwoord

  1. der Zufall (Zufälligkeit)
    the coincidence; the accident

Vertaal Matrix voor Zufall:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
accident Zufall; Zufälligkeit Elend; Katastrophe; Malheur; Not; Pech; Schicksalsschlag; Schicksalsschläge; Unfall; Unglück; Unglücksfall; Unheil; Widerwärtigkeiten
coincidence Zufall; Zufälligkeit Gleichzeitigkeit

Synoniemen voor "Zufall":


Wiktionary: Zufall

Zufall
noun
  1. das nicht Vorhersehbare, das nicht Beabsichtigte
  2. ohne Plural: der Zufall als tätiges Subjekt
Zufall
noun
  1. chance
  2. random occurrence
  3. a property which is not essential

Cross Translation:
FromToVia
Zufall coincidence toeval — een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
Zufall chance; fate; accidence; accident; randomness hasard — Fortune, sort, destin ; cas fortuit, imprévu

Computer vertaling door derden:

Verwante vertalingen van Zufall