Overzicht
Duits naar Engels:   Meer gegevens...
  1. Abhandeln:


Duits

Uitgebreide vertaling voor Abhandeln (Duits) in het Engels

Abhandeln:

Abhandeln [das ~] zelfstandig naamwoord

  1. Abhandeln (Schachern; Abmarkten)
    the haggling; the bargain
    • haggling [the ~] zelfstandig naamwoord
    • bargain [the ~] zelfstandig naamwoord
  2. Abhandeln (Reagieren; Ansprechen; Eingehen)
    the reaction to

Vertaal Matrix voor Abhandeln:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bargain Abhandeln; Abmarkten; Schachern Angebot; Gelegenheitskauf; Geschäft; Geschäfte; Handel; Offerte; Okkasion; Schnäppchen; Transaktion; Unterredung; Verhandlung; Vorschlag
haggling Abhandeln; Abmarkten; Schachern Abfeilschen; Feilschen; Gefeilsche; Tausch; Umtausch
reaction to Abhandeln; Ansprechen; Eingehen; Reagieren
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bargain abfeilschen; abhandeln; feilschen; handeln; herunterhandeln; unterhandeln
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
haggling streitkrank