Duits

Uitgebreide vertaling voor Sender (Duits) in het Nederlands

Sender:

Sender [der ~] zelfstandig naamwoord

  1. der Sender (Absender)
    de zender; de verzender; de afzender
    • zender [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • verzender [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • afzender [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. der Sender (Radiosender; Rundfunkstation)
    het radiostation; de stations; het zendstation; de zender
  3. der Sender (Sendeanlage)
    de zender; de zendinstallatie
  4. der Sender (Radiosender; Rundfunksender)
    de radiozender
  5. der Sender (Signalgerät)
    het seintoestel

Vertaal Matrix voor Sender:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afzender Absender; Sender Absender; Einsender; Versender
radiostation Radiosender; Rundfunkstation; Sender
radiozender Radiosender; Rundfunksender; Sender
seintoestel Sender; Signalgerät
stations Radiosender; Rundfunkstation; Sender
verzender Absender; Sender Absender; Einsender; Versender
zender Absender; Radiosender; Rundfunkstation; Sendeanlage; Sender Absender; Einsender; Versender
zendinstallatie Sendeanlage; Sender
zendstation Radiosender; Rundfunkstation; Sender

Synoniemen voor "Sender":