Overzicht
Duits naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. Absprechen:
  2. Wiktionary:


Duits

Uitgebreide vertaling voor absprechen (Duits) in het Nederlands

absprechen:


Synoniemen voor "absprechen":


Wiktionary: absprechen

absprechen
verb
  1. tot een bindende afspraak komen

Absprechen:

Absprechen [das ~] zelfstandig naamwoord

  1. Absprechen (Abmachen; Akkordieren)
    afspreken; accorderen

Vertaal Matrix voor Absprechen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
accorderen Abmachen; Absprechen; Akkordieren Akkordieren; Übereinstimmen
afspreken Abmachen; Absprechen; Akkordieren
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
accorderen abmachen; akkordieren; übereinkommen
afspreken abmachen; akkordieren; ausmachen; ordnen; organisieren; regeln; regulieren; sich treffen; steuern; vereinbaren; übereinkommen