Overzicht
Duits naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. garen:
  2. gären:
  3. Wiktionary:
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. garen:
  2. Wiktionary:


Duits

Uitgebreide vertaling voor garen (Duits) in het Nederlands

garen:

garen werkwoord

  1. garen (garkochen; kochen)
    gaar koken
    • gaar koken werkwoord (kook gaar, kookt gaar, kookte gaar, kookten gaar, gaar gekookd)

Vertaal Matrix voor garen:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gaar koken garen; garkochen; kochen

Synoniemen voor "garen":


Wiktionary: garen


Cross Translation:
FromToVia
garen koken cook — prepare (food) for eating
garen koken cook — become ready for eating

gären:

gären werkwoord (gäre, gärst, gärt, gör, gört, gegoren)

  1. gären (sauerwerden)
    gisten
    • gisten werkwoord (gist, gistte, gegist)
  2. gären (warm sein; brühen; brüten; schwelen)
    broeien; warm zijn
    • broeien werkwoord (broei, broeit, broeide, broeiden, bebroeid)
    • warm zijn werkwoord

Conjugations for gären:

Präsens
  1. gäre
  2. gärst
  3. gärt
  4. gären
  5. gärt
  6. gären
Imperfekt
  1. gör
  2. görst
  3. gör
  4. gören
  5. gört
  6. gören
Perfekt
  1. habe gegoren
  2. hast gegoren
  3. hat gegoren
  4. haben gegoren
  5. habt gegoren
  6. haben gegoren
1. Konjunktiv [1]
  1. gäre
  2. gärest
  3. gäre
  4. gären
  5. gäret
  6. gären
2. Konjunktiv
  1. göre
  2. görest
  3. göre
  4. gören
  5. göret
  6. gören
Futur 1
  1. werde gären
  2. wirst gären
  3. wird gären
  4. werden gären
  5. werdet gären
  6. werden gären
1. Konjunktiv [2]
  1. würde gären
  2. würdest gären
  3. würde gären
  4. würden gären
  5. würdet gären
  6. würden gären
Diverses
  1. gäre!
  2. gärt!
  3. gären Sie!
  4. gegoren
  5. gärend
1. ich, 2. du, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr, 6. sie/Sie

Vertaal Matrix voor gären:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gisten Gähren
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
broeien brühen; brüten; gären; schwelen; warm sein
gisten gären; sauerwerden
warm zijn brühen; brüten; gären; schwelen; warm sein

Wiktionary: gären

gären
  1. zersetzen von organischem Material unter Luftabschluss, insbesondere mit Entstehung von Alkohol oder Milchsäure

Cross Translation:
FromToVia
gären gisten ferment — to react using fermentation



Nederlands

Uitgebreide vertaling voor garen (Nederlands) in het Duits

garen:

garen [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het garen (rijgsnoer; draad)
    der Faden; Garn; der Bindfaden
    • Faden [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Garn [das ~] zelfstandig naamwoord
    • Bindfaden [der ~] zelfstandig naamwoord
  2. het garen (draad; hechtdraad)
    der Faden; Garn; der Bindfaden; der Zwirn; der Reihfaden
    • Faden [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Garn [das ~] zelfstandig naamwoord
    • Bindfaden [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Zwirn [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Reihfaden [der ~] zelfstandig naamwoord
  3. het garen
    Garn
    • Garn [das ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor garen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Bindfaden draad; garen; hechtdraad; rijgsnoer bindgaren; bindtouwen; koord
Faden draad; garen; hechtdraad; rijgsnoer koord; vaam; vadem
Garn draad; garen; hechtdraad; rijgsnoer koord; rijgdraad
Reihfaden draad; garen; hechtdraad
Zwirn draad; garen; hechtdraad

Verwante woorden van "garen":

  • garens

Wiktionary: garen


Cross Translation:
FromToVia
garen Faden; Garn; Zwirn thread — long, thin and flexible form of material
garen Garn yarn — fiber strand for knitting or weaving

Verwante vertalingen van garen