Duits

Uitgebreide vertaling voor lästern (Duits) in het Nederlands

Lästern:

Lästern [das ~] zelfstandig naamwoord

  1. Lästern (Schwarz machen)
    belasteren; zwartmaken

Vertaal Matrix voor Lästern:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
belasteren Lästern; Schwarz machen Anschwärzen; Anschwärzung; Verpetzen
zwartmaken Lästern; Schwarz machen Anschwärzung; Geklatsch; Gerede; Geschwätz; Getratsch; Getratsche; Klatsch; Klatschen; Klatscherei; Laster; Lästerrede; Lästerung; Schwatz; Tratsch
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
belasteren beleidigen; düpieren; klatschen; kränken; lästern; schmähen; tratschen; verletzen
zwartmaken schwärzen; verleumden

lästern:

lästern werkwoord (lästere, lästerst, lästert, lästerte, lästertet, gelästert)

  1. lästern (tratschen; klatschen)
    roddelen; kwaadspreken; belasteren; lasteren
    • roddelen werkwoord (roddel, roddelt, roddelde, roddelden, geroddeld)
    • kwaadspreken werkwoord (spreek kwaad, spreekt kwaad, sprak kwaad, spraken kwaad, kwaad gesproken)
    • belasteren werkwoord (belaster, belastert, belasterde, belasterden, belasterd)
    • lasteren werkwoord (laster, lastert, lasterde, lasterden, gelasterd)
  2. lästern (beklecksen; beschmieren; anschmieren; verläumden)
    bevuilen; besmeren; bekladden; bevlekken; bemorsen
    • bevuilen werkwoord (bevuil, bevuilt, bevuilde, bevuilden, bevuild)
    • besmeren werkwoord (besmeer, besmeert, besmeerde, besmeerden, besmeerd)
    • bekladden werkwoord (beklad, bekladt, bekladde, bekladden, beklad)
    • bevlekken werkwoord (bevlek, bevlekt, bevlekte, bevlekten, bevlekt)
    • bemorsen werkwoord (bemors, bemorst, bemorste, bemorsten, bemorst)
  3. lästern (beleidigen; düpieren; verletzen; kränken; schmähen)
    kwaadspreken; belasteren; lasteren; smaden
    • kwaadspreken werkwoord (spreek kwaad, spreekt kwaad, sprak kwaad, spraken kwaad, kwaad gesproken)
    • belasteren werkwoord (belaster, belastert, belasterde, belasterden, belasterd)
    • lasteren werkwoord (laster, lastert, lasterde, lasterden, gelasterd)
    • smaden werkwoord (smaad, smaadt, smaadde, smaadden, gesmaad)
  4. lästern (verleumden)
    beschimpen; honen; verguizen
    • beschimpen werkwoord (beschimp, beschimpt, beschimpte, beschimpten, beschimpt)
    • honen werkwoord (hoon, hoont, hoonde, hoonden, gehoond)
    • verguizen werkwoord (verguis, verguist, verguisde, verguisden, verguisd)

Conjugations for lästern:

Präsens
  1. lästere
  2. lästerst
  3. lästert
  4. lästeren
  5. lästert
  6. lästeren
Imperfekt
  1. lästerte
  2. lästertest
  3. lästerte
  4. lästerten
  5. lästertet
  6. lästerten
Perfekt
  1. habe gelästert
  2. hast gelästert
  3. hat gelästert
  4. haben gelästert
  5. habt gelästert
  6. haben gelästert
1. Konjunktiv [1]
  1. lästere
  2. lästerest
  3. lästere
  4. lästeren
  5. lästeret
  6. lästeren
2. Konjunktiv
  1. lästerte
  2. lästertest
  3. lästerte
  4. lästerten
  5. lästertet
  6. lästerten
Futur 1
  1. werde lästern
  2. wirst lästern
  3. wird lästern
  4. werden lästern
  5. werdet lästern
  6. werden lästern
1. Konjunktiv [2]
  1. würde lästern
  2. würdest lästern
  3. würde lästern
  4. würden lästern
  5. würdet lästern
  6. würden lästern
Diverses
  1. läster!
  2. lästert!
  3. lästeren Sie!
  4. gelästert
  5. lästernd
1. ich, 2. du, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr, 6. sie/Sie

Vertaal Matrix voor lästern:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
belasteren Anschwärzen; Anschwärzung; Lästern; Schwarz machen; Verpetzen
kwaadspreken Anschwärzen; Anschwärzung; Verpetzen
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bekladden anschmieren; beklecksen; beschmieren; lästern; verläumden
belasteren beleidigen; düpieren; klatschen; kränken; lästern; schmähen; tratschen; verletzen
bemorsen anschmieren; beklecksen; beschmieren; lästern; verläumden
beschimpen lästern; verleumden ausschimpfen; beschimpen; beschimpfen
besmeren anschmieren; beklecksen; beschmieren; lästern; verläumden
bevlekken anschmieren; beklecksen; beschmieren; lästern; verläumden beschmutzen; besudeln; den Glanz nehmen; leicht schmutzig werden
bevuilen anschmieren; beklecksen; beschmieren; lästern; verläumden beschmutzen; flecken; kleksen; schmutzen; sudeln; versauen; verunreinigen
honen lästern; verleumden
kwaadspreken beleidigen; düpieren; klatschen; kränken; lästern; schmähen; tratschen; verletzen
lasteren beleidigen; düpieren; klatschen; kränken; lästern; schmähen; tratschen; verletzen
roddelen klatschen; lästern; tratschen
smaden beleidigen; düpieren; kränken; lästern; schmähen; verletzen spotten; verhöhnen; verspotten; verächtlich oder hönisch reden von
verguizen lästern; verleumden

Synoniemen voor "lästern":

  • andichten; nachsagen; sich das Maul zerreißen über; herziehen; schlecht über jemanden reden

Wiktionary: lästern

lästern
verb
  1. op een vervelende manier over anderen praten

Cross Translation:
FromToVia
lästern godlasteren; ketteren; vloeken; godslasteren; blasfemeren blasphémerproférer un blasphème ou des blasphèmes.