Duits

Uitgebreide vertaling voor stechend (Duits) in het Nederlands

stechend:

stechend bijvoeglijk naamwoord

  1. stechend (irritierend)
    prikkelend; irriterend
  2. stechend
    prikkend
  3. stechend
    wroetend
  4. stechend (stachlig)
    stekend

Vertaal Matrix voor stechend:

Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
prikkelend irritierend; stechend
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
irriterend irritierend; stechend
prikkend stechend
stekend stachlig; stechend
wroetend stechend

Synoniemen voor "stechend":


Wiktionary: stechend


Cross Translation:
FromToVia
stechend scherp; stekend pungent — having a strong odour
stechend stekend; acuut sharp — intense and sudden (of pain)

stechen:

stechen werkwoord (steche, stichst, sticht, stach, stacht, gestochen)

  1. stechen (sticheln; stecken; spritzen; )
    steken; prikken; steken geven
    • steken werkwoord (steek, steekt, stak, staken, gestoken)
    • prikken werkwoord (prik, prikt, prikte, prikten, geprikt)
    • steken geven werkwoord (geef steken, geeft steken, gaf steken, gaven steken, steken gegeven)
  2. stechen (ätzen; gravieren; radieren; schneiden)
    etsen; graveren
    • etsen werkwoord (ets, etst, etste, etsten, geëtst)
    • graveren werkwoord (graveer, graveert, graveerde, graveerden, gegraveerd)
  3. stechen
  4. stechen
    priemen
    • priemen werkwoord (priem, priemt, priemde, priemden, gepriemd)
  5. stechen (gravieren)
    graveren; met een stift inkrassen; griffen; griffelen
  6. stechen (vorherrschen)
    troef zijn
    • troef zijn werkwoord (ben troef, bent troef, was troef, waren troef, troef geweest)

Conjugations for stechen:

Präsens
  1. steche
  2. stichst
  3. sticht
  4. stechen
  5. stecht
  6. stechen
Imperfekt
  1. stach
  2. stachst
  3. stach
  4. stachen
  5. stacht
  6. stachen
Perfekt
  1. habe gestochen
  2. hast gestochen
  3. hat gestochen
  4. haben gestochen
  5. habt gestochen
  6. haben gestochen
1. Konjunktiv [1]
  1. steche
  2. stechest
  3. steche
  4. stechen
  5. stechet
  6. stechen
2. Konjunktiv
  1. stäche
  2. stächest
  3. stäche
  4. stächen
  5. stächet
  6. stächen
Futur 1
  1. werde stechen
  2. wirst stechen
  3. wird stechen
  4. werden stechen
  5. werdet stechen
  6. werden stechen
1. Konjunktiv [2]
  1. würde stechen
  2. würdest stechen
  3. würde stechen
  4. würden stechen
  5. würdet stechen
  6. würden stechen
Diverses
  1. stich!
  2. stecht!
  3. stechen Sie!
  4. gestochen
  5. stechend
1. ich, 2. du, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr, 6. sie/Sie

Vertaal Matrix voor stechen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
etsen Radieren; Ätzen
graveren Kupferstecherarbeit; Kupferstich
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
een barrage rijden stechen
etsen gravieren; radieren; schneiden; stechen; ätzen
graveren gravieren; radieren; schneiden; stechen; ätzen
griffelen gravieren; stechen
griffen gravieren; stechen
met een stift inkrassen gravieren; stechen
priemen stechen
prikken einstechen; spritzen; stechen; stecken; sticheln; strecken; verletzen
steken einstechen; spritzen; stechen; stecken; sticheln; strecken; verletzen
steken geven einstechen; spritzen; stechen; stecken; sticheln; strecken; verletzen
troef zijn stechen; vorherrschen

Synoniemen voor "stechen":


Wiktionary: stechen

stechen
verb
  1. met een priem bewerken
  2. doorboren, prikken

Cross Translation:
FromToVia
stechen neuken; naaien fuck — to have sexual intercourse-obscene or vulgar
stechen steken stab — To pierce or wound with pointed object
stechen stikken; pikken; priemen; prikken; steken piquer — Traductions à trier suivant le sens

Computer vertaling door derden: